dominee
Sjouke
Rijper

*12
september 1884 te Amsterdam
†
28 november 1944 te Leusden
Voorwoord
Amersfoort,
augustus 2006.
Deze website is opgezet ter herinnering aan Sjouke Rijper;
onderwijzer, predikant, missionaris, echtgenoot van Anna Rijper-Ros en vader
van vijftien kinderen. Het verhaal is nog niet af. Zo nu en dan voeg ik brokjes
informatie, anekdotes en documenten toe. Zie het maar als ‘work in progress’.
Dominee Rijper was een vrome man. Hij heeft een zwaar, maar
boeiend leven geleid. Daarover bestonden veel verhalen en documenten, maar die waren
nooit bijeen gebracht. Het familieboek, vol met foto’s en documenten, dat ik
mag bewaren, heb ik intensief gebruikt voor deze website. Tevens heb ik geput
uit een levensbeschrijving van de hand van zijn echtgenote Anna Rijper-Ros, ten
behoeve van het boekje Kracht In Zwakheid
Geopenbaard, door ds. Simon J. Popma, ter nagedachtenis van dominee Rijper.
Een printversie van deze website vindt u als u hier
klikt.
Sjouke
A. Rijper
(kleinzoon)
Jonge
jaren
In de vroege ochtend van vrijdag 12
september 1884 voelt de hoogzwangere Aafje
Rijper zich niet goed. Ze is alleen in haar sobere woning aan
de Czaar Peterstraat 75, op de
Oostelijke Eilanden van de hoofdstad. Aaf is vijf jaar eerder haastig getrouwd
met zeeman Pieter Rijper, maar het stel is nog steeds kinderloos. In genetisch
opzicht zijn ze ook niet het optimale duo voor het verwekken van een sterk
nageslacht; ze zijn een volle neef en nicht uit dezelfde grootouders. Aafjes
moeder is een zus van Pieters vader.
Piet is die dag, zoals vele andere, op zee. Hij vaart voor
de Stoomvaart Maatschappij Nederland op mailschip ‘Conrad’
een tweemaandelijkse pendeldienst van passagiers, post en vracht via het
Suezkanaal van en naar Indië.
Die dag zal de 29-jarige Aaf hun eerste kind baren. In ieder
geval de eerste die blijft leven. Johanna Brandsen is vroedvrouw en woont een
stuk terug in de straat, op nummer 21. Als zij langskomt, weet ook zij dat het
vandaag gaat gebeuren. ’s Avonds om half twaalf wordt een gezonde jongen
geboren: Sjouke
Rijper, vernoemd naar de vader van Aafje, de Westfriese
Sjouke Sjoukes. De maandag erop geeft Johanna Brandsen het kind op bij de Burgerlijke
Stand, vermoedelijk nog voordat de dan dertigjarige vader op zee van het
bestaan van zijn eerste zoon weet.
Het is het Nederland waarin Koning Willem III vorst is en
vader van de dan vierjarige prinses Wilhelmina. Vincent van Gogh werkt in het
Brabantse Nuenen aan de Aardappeleters,
zijn eerste groots opgezette schilderij en meesterwerk. Protestanten strijden
tegen elkaar, maar zetten zich ook af tegen katholieken en liberalen met als
gevolg: verzuiling. De industrialisatie is in volle gang. Stoommachines worden
steeds grootschaliger toegepast in fabrieken. Ondanks de aantrekkende welvaart
zijn de verschillen tussen arm en rijk in het Amsterdam van 1884 groot. Bij de
rijken doen elektriciteit en de telefoon hun intrede, terwijl de middenklasse vaak
nog niet beschikt over waterleiding of riolering.
Voor Sjouke begint meteen het zware leven. Het Amsterdamse
gezin heeft het niet breed. Zes zwangerschappen van Aaf lopen uit miskramen,
vrijwel zeker omdat ze een volle nicht van haar man is. Piet Rijper zit op de
vaart en is dus veel van huis. Als hij terugkomt van een lange zeereis naar
Nederlands-Indië, blijkt dat hij een zwangerschap (die hij nog wel zelf heeft
verwekt) helemaal heeft gemist. Het kind is dan al overleden. Het is de tijd
van de lege wiegjes.
Als een functie van loods vrijkomt, stelt Piet aan zijn
vrouw voor op die baan te solliciteren. Hij is dan immers iedere avond thuis.
Maar Aafje zegt: “Je moet het maar niet
doen, want we hebben nu een goed huwelijk.” Zij weet dat Piet een zeeman is
in hart en nieren. Boten van de branding naar de haven brengen, dat is geen
varen. Daarvan zou haar man ongelukkig worden.
Rond het fin
de siècle spelen gebrek aan hygiëne en gezonde voeding het gezin parten.
Borstvoeding wordt in de orthodox-protestantse kringen van de Rijpers als
onkuis betiteld. Daarom krijgen de zuigelingen een mengsel van slechte melk en
vies water. Alle gezinsleden slapen in een zogenaamde alkoof: een vochtig, vensterloos
tussenkamertje met twee bedsteden; één voor de ouders en één voor het kroost.
Er is hier geen of nauwelijks ventilatie. Dat is helemaal funest voor deze
kinderen met een zwak immuunsysteem, vanwege het feit dat hun ouders neef en
nicht zijn.
De gevolgen zijn er dan ook naar. Als Sjouke acht jaar is,
sterft zijn tweeëneenhalf jarige broertje Klaas aan tuberculose. Vijf jaar
later ondergaat zijn pas anderhalf jarige zusje Cornelia hetzelfde lot. En in
de zomer van 1901 wordt de familie opnieuw in rouw gedompeld als Sjoukes vier
jaar jongere zus, de dertienjarige Trijntje
Rijper, sterft aan tbc. Het gezin woont dan op de derde etage
van de Pieter Vlamingstraat
Sjouke Rijper is een lange, intelligente
Amsterdamse jongen met donker krullend haar en heldere ogen, maar met een zwak
gestel. Hoewel hij goed kan leren, zit een studie aan het gymnasium en later
aan de universiteit er niet voor hem in. Om financiële redenen, maar ook omdat
de oudste zoon in huis niet gemist kan worden. Hij kan wel naar de kweekschool.
Die doorloopt hij soepel. Op 22 april 1903, kort na de grote spoorwegstakingen
die het gehele land lam leggen, behaalt Sjouke zijn Akte
van Bekwaamheid als Onderwijzer. Dat is in de nadagen van de
schoolstrijd, waarin het bijzonder onderwijs bijna een eeuw vocht voor
erkenning.
Onderwijzer
Hij geeft in 1903 vijf maanden les in Naarden en gaat
vervolgens naar Alblasserdam. In die periode is er een opmerkelijk voorval.
Tijdens de behandeling van de Drankwet van 1904, tijdens een vergadering van de
Anti Revolutionaire Propagandaclub,
beledigt de 19-jarige Sjouke de toenmalig minister-
president en
minister van binnenlandse zaken, Abraham Kuyper. Kuyper is tevens oprichter van
de met spaarpotjes
ondersteunde Vrije Universiteit (waar Sjouke zo graag naar toe was gegaan) en
is ook de man achter ‘de doleantie’: de afsplitsing van de Nederlands Hervormde
Kerk en de aansluiting bij de Gereformeerde Kerk.
Sjouke verspreidt om onduidelijke redenen leugens over
Kuyper en heeft daar later spijt van. Sjouke krijgt gewetenswroeging en belijdt
op 14 juni
Vanaf 1905 gaat Sjouke lesgeven op de Funenschool in
Amsterdam, een van de eerste Christelijke scholen in Amsterdam. “Hij houdt van kinderen en kinderen voelen
zich tot hem aangetrokken”, schrijft dominee Popma, een bekende van de
familie, die dominee Rijper diverse keren heeft ontmoet en toen uitgebreid met
hem sprak.
Op 23-jarige leeftijd wordt de jonge onderwijzer ernstig
ziek. Dat wat zijn broertjes en zusjes trof, treft ook hem: tuberculose. Sjouke
wordt in 1907 zeven maanden opgenomen in het Volkssanatorium
Hellendoorn. De tbc zorgt ervoor dat hij voortaan praktisch
op één long moet leven. Als hij wordt ontslagen, mag hij wel weer voor de klas
staan, maar niet erbij studeren. Hij moet rusten. Maar dat kan hij niet. Hij
heeft een vurige wens om predikant te worden. Na schooltijd studeert hij in bed
theologie. Hij leest alles wat er te lezen valt over dogmatiek, exegese,
kerkgeschiedenis en de talen Grieks, Hebreeuws en Latijn. Sjouke behaalt in
juni 1908 het diploma
waarmee hij mag lesgeven op een School met de Bijbel. Een
jaar later slaagt hij voor zijn hoofdakte.

Sjouke kan gelukkig ook nog genieten van het
leven. Hij heeft oog voor het vrouwelijk schoon. In Amsterdam ontmoet hij op 25-jarige
leeftijd de twee jaar jongere, niet onknappe dame Anna Ros. Ze is geboren te
Leiden op 30 juli 1886 als oudste dochter van kruidenier Pieter Ros en
Johanna Smit. Als Ros’ winkel in Leiden afbrandt, wordt hij
magazijnmeester in een Amsterdams pakhuis van een bottelier voor de Koninklijke
Marine. Piet Ros, kleinzoon van de Engelse Maria Elisabeth Furley, gaat naar
dezelfde kerk als Piet Rijper: de
Funenkerk. Ze raken bevriend. Jongens en meisjes zitten
gescheiden in de kerk. Mannenbroeder Sjouke op het balkon rechts van de kansel,
Anna op het linker
balkon. Er is oogcontact. Anna vertelt later: “Als ik dan de kerk uitliep, liep hij
telkens ineens naast me.” Op donderdag 31 maart 1910 trouwen
Sjouke en Anna in de Keizersgrachtkerk.
Het wordt een vruchtbaar huwelijk met maar liefst vijftien kinderen.
In de periode rond dat huwelijk is Sjouke in contact
gekomen met dominee Jan van Lonkhuijzen, tevens ‘doctor in de heilige
godgeleerdheid’. Op last van de Generale Synode van de Gereformeerde Kerken was
hij in 1908 naar Argentinië gereisd om daar de geografisch verspreide
gereformeerde boeren (‘de verstrooiden’) te bezoeken en te bekijken of hier ook
een protestants-christelijk leven verder kan worden uitgebreid.
Nederland is een van de eerste landen die de
onafhankelijkheid van de Republiek Argentinië begin 19e eeuw erkennen. Al in
1825 bestaat er een Nederlands consulaat in Buenos Aires. De nauwe contacten
destijds vloeien vooral voort uit handel en leiden er toe dat in de tweede
helft van de negentiende eeuw veel Nederlandse migranten hun geluk gaan zoeken
in het grote en veelbelovende Argentinië. Deze emigratie is vooral het gevolg van een crisis in de Nederlandse
landbouw. Werkeloosheid en armoede zijn voor velen aanleiding voor hun vertrek
uit Nederland. In Argentinië ziet de ontwikkeling van de werkgelegenheid er in
die tijd goed uit. Ambachtslieden kunnen er makkelijk werk vinden, zij het vaak
onder slechtere levens- en arbeidsomstandigheden dan in Europa. Argentinië
is heet, stoffig en de voorzieningen zijn zeer beperkt.
De Argentijnse regering kan de arbeidskrachten goed
gebruiken en stimuleert op vele manieren de immigratie van vooral
Noord-Europeanen naar de onbevolkte landbouwgebieden van het land. Hiertoe
wordt in een aantal Europese steden zogenaamde ‘Oficinas de Informacion y
Propaganda’ opgericht. Om de toekomstige immigranten in staat te stellen de
reis te maken, worden de ‘pasajes subsidiarios’ door deze bureaus
uitgereikt. De Argentijnse overheid betaalt de overtocht naar ‘de zuid’.
Maar
zoals de propaganda wil laten geloven, is het niet. In Argentinië is weliswaar
een overvloed aan vruchtbare landbouwgrond, maar het is één grote woestenij:
alles moet nog worden ontgonnen. Het is er heet, droog en stoffig en de
voorzieningen zijn minimaal. Veel Nederlanders keren kort na aankomst gedesillusioneerd
weer terug. De prijs van de emigratie is hoog: de meeste gezinnen verliezen één
of zelfs meerdere familieleden.
Om een bestaan op te bouwen is veel doorzettingsvermogen
nodig. Een flinke groep protestants-christelijke boeren in Nederlandse kolonies
houdt vol, en met succes. Gesteund door hun geloof weten zij het uiteindelijk
toch te redden. Rond de eeuwwisseling keert het economische tij en komt
Argentinië tot bloei. Vanaf 1899 tot 1929 maakt het land een enorme economische
ontwikkeling door. Nieuwe spoorlijnen ontsluiten grote delen van het land,
zodat het vervoer van vlees en landbouwproducten echt goed op gang komt.
Argentinië behoort tot de tien rijkste landen ter wereld. De Nederlands
protestants-christelijke bevolking in Argentinië groeit mee met de welvaart,
maar blijft verstoken van dominees en bijpassend onderwijs in dit overwegend
katholieke land. De ‘lammeren’ aldaar zitten zonder ‘herder’, zo staat
geschreven.
De ontvangst van Van Lonkhuijzen op zondag 9 februari
Als Sjouke Rijper Jan van Lonkhuijzen na zijn terugkeer
spreekt, voelt hij er wel wat voor om te gaan lesgeven in Argentinië. De synode
stuurt in eerste instantie een goede vriend van Sjouke: de heer (later dominee)
Antonie Sonneveldt. Rijper verwacht dat hij Sonneveldt snel mag nareizen. Maar de
synode geeft na veel praten de voorkeur aan een predikant, ds. Rolloos. Geld
speelt hierbij een niet onbelangrijke rol. De vertegenwoordigers van de
gereformeerde kerken in de Verenigde Staten bieden alleen financiële
ondersteuning als “een bevestigd predikant” naar Tres Arroyos gaat. Dat is een
fikse tegenslag voor Sjouke.
Hij gooit zijn studie om en begint aan een acte Frans. Als
hij na een sollicitatie naar de functie van hoofd van een lagere school in
Kootwijk wordt afwezen, weet hij het zeker. Hij ziet alle gebeurtenissen als
vingerwijzingen van boven. Zijn levenstaak ligt niet op het gebied van
onderwijs. Sjouke zet zijn theologische studie voort.
Sonneveldt en Rolloos werken dan samen in Argentinië. Rolloos
in de succesvolle Nederlandse boerenkolonie Tres Arroyos (drie beekjes). Het is
een dorpje in een uitgestrekt landbouwgebied waar vooral tarwe wordt verbouwd.
De nazaten van deze ondernemende Nederlanders voelen zich
ook nu nog nauw verbonden met het land waar hun voorouders vandaan zijn
gekomen. Het voortbestaan van een Nederlands consulaat in Tres Arroyos is daar
een sprekend bewijs van. Koningin Beatrix brengt in het voorjaar van 2006,
samen met kroonprins Willem Alexander en zijn Argentijnse vrouw Màxima, een
bezoek aan het dorp en de nog steeds bestaande Hollandse school: ‘El Colegio Holandés’ .
Tres Arroyos ligt op zo’n
In Tres Arroyos is de nood hoog. Ze kijken uit naar Rijper,
die, behalve dat hij hoofd van de school kan zijn, ook catechetisch onderwijs
zou kunnen geven aan de alsmaar groeiende kerkelijke gemeenschap. Sjouke wordt
naast schoolhoofd ook lerend ouderling. Hij is op dat moment hoofd van een van
de
Gereformeerde Scholen in Amsterdam en vader
van twee jonge kinderen: Aafje (geboren te Amsterdam, 1 februari 1911) en Piet
(geboren te Amsterdam, 11 maart 1912). Sjouke geeft zijn laatste les in
Amsterdam op 31 september 1912.
Met vertaalde
onderwijsakten in de koffer, kiest Sjouke, heel even net als
zijn vader en opa, het ruime sop. Op dinsdag 15 oktober 1912 (op de kop af zes
maanden na het vergaan van de Titanic)
reist hij met zijn gezin per stoomschip Frisia
af naar Argentinië. Het is een zware zeetocht van zo’n
Argentinië
Half december 1912 gaat Sjouke aan het
werk. Per 1 januari 1913 wordt hij benoemd tot hoofd van de
Hollandsch-Spaansche School (‘Escuela
Holandesa’) te Tres Arroyos. De school en de kerkelijke gemeenschap zijn
blij met de komst van het gezin Rijper. Al na een paar maanden blijkt dat
Sjouke en Anna Rijper goed in de smaak vallen. Probleem is alleen dat Sjouke
niet, zoals ds. Rolloos, zowel onderwijzer is als predikant. En de behoefte is
groot. Het duurt soms maanden voordat een kind gedoopt kan worden of een stel
getrouwd. En de kerk van Buenos Aires is niet in staat om bij te springen.
In maart 1913 komt dan ook het verzoek om Sjouke Rijper te
beroepen tot predikant. Maar de Gereformeerde Generale Synode in Den Haag
twijfelt. Zij gaan ervan uit dat het gezin Rijper hooguit vier jaar in Tres
Arroyos zal blijven, slechts ter overbrugging, totdat er een echte dominee
gevonden is. De Argentijnse kerkelijke gemeenschap blijft aandringen. Ze hebben
“dringende behoefte van de bediening des Woords en der Sacrementen.” Er worden
kinderen geboren die alweer sterven voordat ze gedoopt zijn. Tres Arroyos voert
de druk nog eens op. Ze zijn zeer tevreden over het werk van Sjouke Rijper. In
mei 1913 zwicht de synode. Ze staan toe dat Sjouke in het ambt wordt bevestigd
door toepassing van artikel 8 van het kerkrecht: Men zal geen schoolmeesters, handwerkslieden of anderen, die niet
gestudeerd hebben, tot het predikambt toelaten, tenzij dat men verzekerd is van
hun singuliere gaven, godzaligheid, ootmoedigheid, zedigheid, goed verstand en
discretie, mitsgaders gaven van welsprekendheid. Tijdens “een behoorlijke
examinatie onder bijstand van de kerk van Buenos Aires” door de classis van die
stad, begin augustus, toont Sjouke aan te beschikken over de benodigde
singuliere gaven en andere vereiste eigenschappen.
Op 12 augustus 1913 gaat een droom in vervulling voor
Sjouke Rijper. Hij wordt bevestigd door ds. Sonneveldt (1 Petrus 5: 2-4) en mag
zich vanaf die dag predikant noemen. Diezelfde middag preekt hij voor het eerst
(1 Korinthiërs 2: 2).
In dat jaar is ook hard gewerkt aan de
school. Om als protestants-christelijke school bestaansrecht te hebben in een
katholiek milieu, moet de school een voortreffelijke zijn, zo is de opvatting van
Sjouke en Anna. Ondanks Sjoukes zwakke gezondheid, drukke jonge gezin en gebrek
aan geld werkt het echtpaar keihard.
Er wordt zowel in het Spaans als het Nederlands lesgegeven.
En dat slaat aan. Argentijnse families, die geen woord Nederlands verstaan,
zijn zo tevreden dat zij ook naar de Nederlandse lessen komen. De school groeit
snel. Binnen een paar maanden zijn er zo’n vijftig leerlingen. De Hollandsche
school krijgt ook zo’n twintig kinderen uit Baptistengezinnen van Hollandse
afkomst.
Baptisme is een stroming
binnen het christendom die gelooft dat iemand pas behoort te worden gedoopt
nadat hij of zij tot geloof in Christus als Verlosser is gekomen en de
belijdenis daarvan persoonlijk heeft aangenomen. De doop geschiedt door
volledige onderdompeling in water. De vorm van dopen waarbij zuigelingen worden
besprenkeld met water, zoals ondermeer gereformeerden dat doen, wordt
verworpen, omdat baby's nog niet bewust geloven. Gereformeerden en Baptisten
voeren hierover een “afmattende strijd.” Toch hebben baptistengezinnen in
Argentinië liever een gereformeerde dominee, dan helemaal geen religieuze
bijstand.
Na een zware schooldag, zo rond vier uur ’s
middags, zit het werk er voor Sjouke Rijper nog niet op. Dan gaat hij de
gemeente in, legt huisbezoeken af, bezoekt zieken en geeft catechisatie aan
jongeren. Sjouke en Anna sturen af en toe een
kaartje naar Amsterdam. Anna Rijper, op 9 juni 1913 bevallen
van hun derde kind (Sjouke Cornelis Samuel), ziet haar man meestal pas in de
avond thuis. En zelfs dan neemt Sjouke Rijper geen rust. In de stille,
nachtelijke uren schrijft hij zijn preken en houdt hij zijn theologische studie
bij.
En alsof dit allemaal niet genoeg is, komt er nog een taak
bij. Veel kinderen uit boerengezinnen in de omgeving van Tres Arroyos wonen te
ver van school. Sjouke en Anna starten daarom een klein internaat. Het komt
erop neer dat die kinderen in huis worden genomen. Het gezin Rijper krijgt zo’n
15 gulden per kind per maand, wat voor een goede verzorging te weinig is.
Gelukkig wordt het gezin dikwijls verrast met kippen, vlees en eieren.
Een bijzonder zware periode is dan
aangebroken voor de dan 27-jarige Anna Rijper-Ros. Zij heeft de zorg voor een
dochtertje van tweeëneenhalf, een zoontje van anderhalf en een kind aan de
borst. Daarnaast wordt zij hoofd van het internaat.
1 januari 1914 is een zwarte dag. Hun jongste kind. Sjouke
Cornelis Samuel, slechts zeven maanden oud, overlijdt. Het leed uit Sjoukes
ouderlijk gezin, zet zich in zijn eigen gezin voort.
En aan het thuisfront gaat het niet veel beter. Nog geen
drie weken na dit drama, op 17 januari 1914, overlijdt in Amsterdam Sjoukes
broer, Kees
Rijper (geboren Cornelis Pieter), op slechts 22-jarige
leeftijd. Sjouke heeft naast zijn ouders, alleen nog zijn broer Klaas, dan
twintig jaar oud.
8 september 1914 is een feestdag. Een week
en acht maanden na het overlijden van de kleine Sjouk, wordt in huize Rijper te
Tres Arroyos opnieuw een zoon geboren. Hij krijgt dezelfde namen als zijn
overleden broertje: Sjouke Cornelis Samuel. Het gezin bestaat weer uit drie
kinderen.
In Argentinië gaat het werk door. De school groeit, het
internaat evenzeer. Sjouke en Anna stoppen er al hun energie in. De scholen
hanteren van december tot en met februari een zomervakantie van drie maanden,
vooral vanwege de hitte. Maar Sjouke neemt geen rust. Hij zoekt alle
‘verstrooide’ Nederlanders in de regio op en preekt voor hen in het Nederlands en
het Spaans. Hij reist op primitieve wijze enorme afstanden over de snikhete
Argentijnse pampa’s, naar plaatsen als Tandil (
Sjouke is in die tijd ook nog scriba van
de classis Buenos Aires. Hij moet dan ook samenwerken met de heer H.H.
Hogendorp uit Delft die hoofd is geworden van de Hollandse School in Buenos
Aires en in 1917 Sonneveldt zal opvolgen als hoofd van de Gereformeerde kerk in
de Argentijnse hoofdstad. Maar de twee ruziën vooral. Hogendorp wordt
uiteindelijk in 1923 uit het ambt gezet wegens drankmisbruik en misbruik van
financiële middelen.
Alsof Sjouke niet genoeg te doen heeft, schrijft hij ieder
kwartaal een rapport voor Nederland en de ondersteunende kerken in
Noord-Amerika over de vorderingen van de Gereformeerden Kerken in Argentinië.
Dat doet hij op basis van verslagen die de kerken van Buenos Aires, Chubut en
Tres Arroyos hem toezenden.
Uit latere verslagen over dominee Rijper, blijkt dat al
zijn inzet niet voor niets is. Waar hij komt, bloeit het gereformeerde leven
op. In Den Haag kunnen ze bijna niet geloven dat hij zelfs voet aan de grond
krijgt in Baptistische kringen. Het internaat en de school groeien gestaag
door. Sjouke werkt ook mee aan de reorganisatie van de kerk van Rosario. Per
brief moedigt hij de mensen daar aan om ook een Hollandse school te starten. Zo
ontstaat de Schoolvereeniging of
Rosario de Santa Fe. De eerste jaren in Argentinië zijn, ondanks het zware
werk, gelukkige jaren. Later zullen Anna en Sjouke nog vaak praten over deze
periode. Aaf en Piet leren hier paardrijden. Sjouke geniet van zijn vrijheid,
zijn status en de prachtige natuur in dit uitgestrekte gebied. Hij schrijft
geregeld artikelen in ‘de Hollandsche Stem’, een maandblad voor Argentijnse
gereformeerden.

In het voorjaar van 1915 komt opnieuw slecht
nieuws uit Nederland. Sjoukes vader, de gepensioneerde zeeman Pieter Rijper,
blijkt op 18 april te zijn overleden.
Zijn ouders waren een jaar ervoor verhuisd naar Bussum, samen met zoon Klaas,
die inmiddels kantoorbediende is en verloofd. Op 13 juni 1916 wordt de tweede
dochter van Sjouke en Anna geboren: Suze. Moeder en dochter maken het goed,
maar vader wordt ziek. Zo ernstig dat de gemeente zich grote zorgen maakt. Maar
Sjouke herstelt binnen een paar maanden. Hij stort zich daarna weer vol
overgave in zijn werk.
1917 glijdt voorbij. In de laatste week van oktober van dat
jaar typt de dominee ijverig zijn preek voor de Hervormingsdag (Romeinen 1:
16-17). Die
preek is grotendeels bewaard gebleven.
Duidelijk wordt dat Sjouke Rijper deze zware dubbeltaak van
predikant en schoolhoofd niet lang meer kan volhouden. De zware lichamelijke en
geestelijke inzet eisen hun tol. Het gezin is na vijf jaar hard werken toe aan
het beloofde halfjaar verlof in Nederland. Maar de Eerste Wereldoorlog maakt
een overtocht onmogelijk.
1918 begint positief, met op 4 februari de
geboorte van hun zesde kind. Het is opnieuw een dochter: Annie. Maar daarna
pakken weer donkere wolken zich samen boven Tres Arroyos. Sjouke is veel ziek,
heeft last van inzinkingen en zware hoofdpijn. De Spaanse-griepepidemie bereikt
ook Argentinië en maakt talloze slachtoffers.
Sjouke zet zich nog een keer volledig in om van huis tot
huis zieken en nabestaanden troost te brengen. De troost van het Evangelie.
Door die huisbezoeken krijgt de Spaanse griep ook hem te pakken. Een combinatie
van die griep, zijn oude longziekte en zijn overspannenheid maken zijn totale
inzinking compleet. Hij kan niet meer. Bijna geheel verlamd ligt hij wekenlang
in bed. Anna houdt het gezin en het internaat draaiende. Artsen adviseren een
rustkuur aan de Zuid-Atlantische kust. Maar Anna voorziet een groot debacle en
geeft de voorkeur aan een verlof in Nederland, nu de oorlog ten einde is. De
kerkraad van Tres Arroyos stemt direct in. Het kerkbezoek aldaar loopt langzaam
maar gestaag terug. De ‘lammeren’ zitten weer zonder ‘herder’.
Het duurt dan nog ruim een jaar voordat het gezin de
gelegenheid heeft om naar Nederland terug te keren. Eerst is er nog een
geboorte op 21 september 1919: Kees, naar Sjoukes overleden broer. In november
nemen ze afscheid van zijn gemeente en school. Dat valt hen zwaar. Vooral ook
omdat niet duidelijk is of dit afscheid definitief is. Anna schrijft: “Toen de auto voor stond, die ons naar het
station moest brengen, riepen de kinderen of we toch weer terugkwamen. Half
verlamd aanvaardde mijn man (en ik) de reis naar het Vaderland.”
Over die terugreis bestaan twee anekdotes. Sjouke wordt
voor het embarkeren benaderd door een smokkelaar van edelstenen. Hij vraagt de
dominee of hij er een paar mag verbergen in de grote zwarte verenhoed van Anna.
Sjouke leert de man een lesje. Zijn laatste les op Argentijnse bodem.
De zeereis van enkele weken op stoomschip Gelria doet Sjouke goed. Niet alleen
dankzij de frisse lucht, maar ook door de rust en de afwezigheid van de
verantwoordelijkheid voor gemeente en school.
Bij het van boord gaan geeft Anna haar pasgeboren kind heel
even uit handen aan haar moeder. Johanna Ros struikelt en Kees valt hard op de
kadestenen. Gelukkig houdt hij er geen letsel aan over. Wel worden al zijn
eigenaardigheden de rest van zijn leven door zijn broers en zussen gekscherend
toegeschreven aan die val.
Predikant in Nederland
Bij terugkeer krijgt het gezin onderdak in het huis van de
ouders van Anna, aan de Scheltusstraat 3 te Amersfoort. Sjouke
krabbelt weer op. Maar duidelijk is wel dat een terugkeer naar Argentinië er
niet meer in zit. Anna en Sjouke laten hun inventaris vanuit Argentinië
overvaren. Weer slaat het noodlot toe. Het stoomschip vaart op een mijn. De
inboedel van de Rijpers gaat verloren. Het waren slechts aardse bezittingen,
relativeert Anna.
De dominee is weer sterk goed genoeg om weer af en toe te
preken. Maar dat gaat in die tijd niet zomaar. Aangezien hij in Argentinië is
beroepen wil de Generale Synode eerst nog onderzocht zien of Sjouke ook voor de
Nederlandse kerk voldoende kennis heeft van “de uitleg van het Schrift, de
gereformeerde leer en kerkregering.” Op 5 oktober 1920 ontvangt hij, na
ondervraging, het
getuigschrift waarmee hij beroepbaar verklaard wordt voor de
Gereformeerde Kerken van Nederland.
Hij was al eerder dat jaar aan de slag in Amersfoort in de gereformeerde
kerken aan de Zuidsingel en de Lange Gracht. Tevens is actief als spreker op
propaganda-avonden van de Christelijke Bond. In de Keistad bevalt Anna 8
januari 1921 van een dochter: Jo(hanna), vernoemd naar een zus van Anna. Als je
de eerste (overleden) Sjouke meetelt, is zij het achtste kind van Sjouke en
Anna. Nog diezelfde maand verhuist het gezin naar Reeuwijk-Sluipwijk, mooi
gelegen in een waterrijk gebied, vlakbij Gouda.
Dominee Rijper wordt bevestigd met Jesaja 40:1 en doet intrede
met Exodus 3:14b. Het valt de dominee niet mee om in dit dorp de
draad op te pakken. Hij is er nog niet helemaal bovenop. Het is een stil dorp
en vooral ook klein. In dit dorp liggen de verhoudingen binnen de gemeente toch
anders dan in Argentinië. De gemeente kan de dominee niet genoeg betalen en het
huis is te klein. De ‘stadsjongen’ Sjouke mist bovendien de hectiek van
Amsterdam enerzijds en de verworven vrijheden in Tres Arroyos anderzijds. En
dat benauwt hem.
Anderhalf jaar
later is hij er dan ook weg. Volgende bestemming is het Drentse dorp Nieuw-Weerdinge,
vlak boven Emmen. Ook niet wat je noemt het bruisende centrum van gereformeerd
Nederland. Maar wel met een grotere kerkelijke gemeente dan in het vorige dorp.
Aantrekkelijk voor hem is ook dat hij daar kan werken onder de Baptisten, zoals
hij in Argentinië heeft gedaan.
Hij lijkt weer terug te zijn. Zijn preken zijn weer
krachtig en sierlijk geschreven, zoals in zijn vroege jaren.
Toch is ds. Popma kritisch over zijn manier van preken. “Wie zijn uitgeschreven preken leest,
ontmoet den man, die Kuyper’s werken doorkropen heeft. De opzet en de aanpak
van de preeken is dogmatisch.” … “De stijl is van een nu ouderwetsch aandoende
zwierigheid. Breed opgezette zinnen; veel sterke adjectieven. Voor onzen tijd ,
die nuchtere, zakelijke bewoordingen vraagt die elk overbodig woord schrappen
wil, is deze stijl wellicht wat overladen.”
Als zoon Kees (ook predikant) terugblikt op het niveau van
de preken van zijn vader zegt hij: “Moeder
deed echt aan geloven. Vader was zeker niet ongelovig maar baseerde zich in
zijn overwegingen altijd op geschriften. Die waren heilig. Hij zei altijd: ‘De
Bijbel is Gods woord’. Ik zei: ‘In de Bijbel staat Gods woord.’ Hij was meer
een theologisch wetenschapper. Maar dan wel een amateurwetenschapper.”
Anna is in die periode doorlopend in
verwachting. Sjouke is van mening dat de kerk gaat bloeien als er een sterk
gereformeerd geslacht gekweekt wordt. Klaas wordt op 3 oktober 1922 geboren,
vernoemd naar Sjoukes broer(s). Op 10 januari 1924 ziet dochter Mien het levenslicht.
Net een jaar later op 25 januari 1925 wordt Trijntje Cornelia
geboren, vernoemd naar Sjoukes overleden zusjes. Nog geen jaar later, op 15
januari 1926, wordt het gezin uitgebreid met Frans. Weer achttien maanden
later, op 11 juni 1927, komt er nog een broertje bij: Johan. En op 9 augustus
1928 nóg één: Theo.
Sjouke: “Een kapitaal
aan kinderen is geen kapitaal aan geld, maar met de belofte Gods is ’t een kapitaal
veel hooger dan geld.”
Vooral Anna heeft het druk met de kinderen. Sjouke is druk
met zijn werk. Hij is altijd weg. Op z’n fiets met carbidlantaarn de
uitgestrekte gemeente door. Nadat hij thuis heeft gegeten vliegt hij ’s avonds
de deur weer uit voor catechisatie of een kerkraadsvergadering. Al dat werk is
niet voor niets. Zijn gemeente groeit gestaag. De kerk wordt zelf te klein.
Daarom houdt de dominee per zondag maar liefst drie diensten. Om dit probleem
op te lossen wordt in die jaren een extra vleugel aan het kerkje
gebouwd. Sjoukes nog jonge zoon Kees is onder de indruk van de timmerlieden.
Maar als er wordt geschaft, is hij degene die zegt: “Wel even bidden voor het
eten” .
Dit speelt zich af aan de vooravond van de economische
wereldcrisis, die ook Nederland hard zal treffen. In die periode gebeurt het
nogal eens dat de stroom uitvalt. Vooral de middagdiensten rond kersttijd zijn
donker. Alleen voor de dominee van de kerk van Nieuw Weerdinge is er via een
aggregaat een klein lampje op de kansel, zodat hij zijn ten minste zijn
uitgeschreven preek kan lezen. De organist moet het zonder licht doen. Daarom
geeft Sjouke bij stroomuitval alleen bekende psalmen en gezangen op. Die kan de
man blind spelen. De gemeente zet het vierde vers in van de Lofzang van Zacherias. “Dus wordt des Heren volk geleid door het
licht dat nu ontstoken wordt.” Geloof het of niet, maar tot grote
hilariteit van de dominee en z’n gemeente is er prompt weer stroom en wordt de
kerk verlicht.
Met Sjoukes gezondheid gaat het de laatste drie jaar weer
bergafwaarts, zowel fysiek als mentaal. Hij komt onder behandeling van een
zenuwarts, maar zonder resultaat. Ook zijn longaandoening speelt weer op. Die
ene long kan het niet meer bijbenen. Hij geeft nu en dan bloed op. Artsen
adviseren hem volledig te stoppen met werken. Maar Sjouke verzet zich hiertegen
met alle macht. Met heel veel inspanning preekt hij nog op oudejaarsavond 1928.
De dag erna, op nieuwjaarsmorgen 1929 spuugt hij opnieuw bloed. “God maakt er zelf een einde aan”,
schrijft Anna.
Sjouke Rijper is pas 45 jaar oud, maar volledig gesloopt.
Op 1 juli 1929 krijgt hij van de classis Stadskanaal eervol
ontslag en emeritaat (pensioen) wegens “algehele
invaliditeit.” Zijn afscheidspreek in de kerk van Nieuw-Weerdinge kan hij niet
meer uitspreken. Een ouderling leest de preek voor.
Twee maanden later wordt de gesloopte dominee opnieuw
vader. Kennelijk
totaal onverwacht, wordt op 27 september 1929 Henk Rijper geboren.
Een vroedvrouw is er niet bij. Anna zet haar vijftiende kind helemaal alleen op
de wereld. Het is de enige keer dat dochter Jo haar vader ziet huilen.
Het gezin is die zomer verhuisd naar Amersfoort. Eerst
betrekken ze een veel te krappe woning aan de Javastraat
7. In 1933 gaan ze naar Johannes
Bosboomstraat 8, een tussenwoning. Maar als twee jaar daarna
schuin tegenover nummer
15 vrijkomt (een grotere twee-onder-één-kap), verkast het
gezin met veertien kinderen opnieuw.

De periode van Sjouke Rijper als
emeritus-predikant is niet veel vrolijker dan de laatste jaren in
Nieuw-Weerdinge. Hij blijft een ziek man: zieke zenuwen, zieke longen. Hij is
in zichzelf gekeerd. Vooral rond Kerst, Pasen en Pinksteren is hij gefrustreerd
over het feit dat hij niet kan voorgaan. Hij heeft soms agressieve,
epileptische zenuwtoevallen. Dan staat het gezin onder hoogspanning. Iedereen
loopt op eieren. Anna probeert aanleidingen tot een woedeaanval voor te zijn. “Ik wil geen herrie in het huis”,
antwoordt ze op verzoeken van de kinderen die tot boosheid van Sjouke kunnen
leiden. Gaat de tijdbom dan toch af, dan dient Anna het kalmeringsmedicijn
Luminal toe. Na deze medicatie ligt hij dagenlang compleet uitgeteld, met zware
migraine, op bed.
Anna schrijft over die zware tijden: “Hij is gebonden aan stoel en bed, gaat nimmer naar de kerk. En mocht
hij eens een keer met een auto van een vriend gebracht worden, dan werd hij er
met een half uur weer uitgedragen. Heere heeft hem zeer zwaar beproefd. Zoo
zwaar dat we hem naar Utrecht brachten.” Daar krijgt Sjouke te maken met
een psychiater die atheïst is. In plaats van hem te helpen, bekritiseert deze
arts zijn geloof. Het leidt tot conflicten die niet goed zijn voor het herstel
van de dominee. Anna: Daarna ging hij naar het sanatorium in Zeist.
Daar leerde hij de roede kussen die hem sloeg. Hij kwam na vijf maanden tot ons
terug, rustig en stil. Hij had ‘uw wil geschiede’ leren zeggen en beleven.
Gelovig aanvaardde hij nu Gods weg met hem.”
Ondertussen houdt Anna Rijper het gezin met ontembare
energie draaiende. En de kinderen doen uiteraard ook mee. De oudsten wassen en
strijken kleding. Maar ook de kleintjes krijgen taken, zoals bij de bereiding
van de maaltijden. Vele kilo’s aardappels worden gepit door de jongens. Ze
slapen met meerderen in één bed. Sjoukes moeder verblijft ook vaak in huis en
soms logeren er ook nog Drentse soldaten. Het zijn jongeren die Sjouke nog kent
uit zijn Nieuw-Weerdinge-tijd en die vanwege hun ruitercapaciteiten zijn
gelegerd bij de bereden wapens in één van de cavaleriekazernes in Amersfoort.
Het huis barst soms uit zijn voegen, maar het lukt allemaal.
Keerzijde is wel dat er geen privacy is en nauwelijks
individuele aandacht voor de kinderen. Zoon Kees herinnert dat hij uit school
eens enthousiast een verhaal wilde vertellen. Anna is veel te druk met het
verstellen van kleding en stuurt hem weg. Een pijnlijke herinnering voor Kees.
“Wij zijn klassikaal opgevoed”, zegt dochter Mien. Het is de hoge prijs die
betaald wordt voor een groot gezin met een laag inkomen.
Hoe somber Sjouke vaak is, zo opgewkijfekt is het gezin.
Het zijn levendige, praatgrage, intelligente kinderen. Er wordt onderling veel
plezier gemaakt. ´s Avonds wordt er Rummikub gespeeld en soms ook gekaart. Maar
alleen als Sjouke er niet is. Want kaarten mag eigenlijk niet. Anna staat het
toe.
Op 27 maart 1935 is er een groot
familiefeest. Sjouke
en Anna zijn 25 jaar getrouwd. Iedereen
is er, ook Sjoukes moeder en z’n schoonouders. Op het menu staat:
vol-au-vent, broodjes kaas, ham, rosbief en lunchtong. Verder augurken,
tomaten, vruchtenassortiment en een kleintje koffie.
Sjouke leidt een sober leven. Uitspattingen als het feestje
in 1935 zijn uitzonderingen. Hij is een echte Calvinist en geheelonthouder. Hij
spreekt over de relatie tussen Calvijn en ascese tijdens een vergadering van de
Gereformeerde Drankbestrijding. “Het
Calvinisme is, laat ik het zoo maar gemakshalve zeggen, het godsdienstig,
wijsgeerig, sociaal en politiek systeem, dat van alle systemen bij grootste
diepte van het beginsel ook de grootste breedte bezit voor wat de toepassing en
de beleving van dat beginsel betreft.” De toespraak van achttien geschreven
kantjes is bewaard gebleven. “Het goede
zit niet in het vele, maar veel zit in het goede”, haalt hij hier aan. En: “Zaligheid en geluk liggen in het
geestelijke. Al het stoffelijke is voor de genieting daarvan maar een
hindernis.”
In de tweede helft van de jaren dertig kan Sjouke
mondjesmaat weer wat taken op zich nemen. Hij steunt het verenigingsleven. Hij
viert in augustus 1938 zijn 25-jarig jubileum als predikant. Hij preekt zelfs
weer een keertje in zijn oude kerk in Nieuw-Weerdinge. Maar het kost hem veel
moeite. Met tussenpozen preekt hij in kleinere kerken. Maar soms ook in een
grotere zoals die aan de Zuidsingel in Amersfoort.
Zijn preken zijn nog steeds loodzware kost. Zelfs Kees
(geheel rechts op bovenstaande foto), toch een jongen met interesse in
theologie, verveelt zich soms tijdens die lange kerkdiensten. “Ik telde van tevoren hoeveel kantjes hij
had geschreven. Vaak waren het er een stuk of drieëndertig. Dan zat ik naast
moeder en liet mijn hoofd rusten op de bondkraag van haar jas en viel in
slaap”, aldus Kees Rijper. De kinderen worden na afloop verhoord. Waar ging
de preek over? Trijnie zegt dan: “Over
Jezus en onze lieve Heer.” Soms vraagt hij naar de laatste woorden. Maar
daar zijn de kinderen op voorbereid.
Na afloop van de dienst geven ze die aan elkaar door.
Tussen de kerkdiensten door ligt de Bijbelse vorming van de kinderen niet stil.
Na het kopje koffie met het zondagse koekje lezen ze uit ‘De Gemeene Gratie’,
een driedelig theologisch leerstuk van Abraham Kuyper. Onder die gratie of
algemene genade verstaat Kuyper dat God zijn goedheid over de hele schepping
uitspreidt, zonder dat dit nog betekent dat alle mensen behouden worden. In
zijn algemene genade houdt God zelf de volledige en definitieve uitbarsting van
de zonde tegen en schept zo ruimte voor de menselijke cultuur in al haar
facetten.
De kinderen Rijper zijn gelovig. Dat staat buiten kijf.
Maar deze materie is te zwaar. Het sluit niet aan op hun belevingswereld. Als
het maar even kan, praten zij zich onder deze taaie zondagse gezinsles uit.
Zoon Johan slaat meerdere bladzijden tegelijk om. Dochter Mien vlucht dikwijls
de keuken in om het middagmaal te bereiden. Dat moet toch ook gebeuren?
In zijn vrije tijd houdt Sjouke zich bezig
met tuinieren. De dominee heeft ‘groene vingers’. Hij verbouwt snijbiet in z’n
moestuin achter het huis en kweekt clivia’s. Ook is hij handig in het oplappen
van schoenen. Dat heeft hij geleerd in het sanatorium in Zeist. Hij kan niets
weggooien. Goede springveren uit versleten stoelen worden op zolder opgeslagen,
wachtend op hergebruik. Maar als er tijdens klusjes wordt aangebeld en gevraagd
naar hem, moeten zijn kinderen zeggen dat hij “niet beschikbaar is.” Sjouke is
een trots en ijdel man die alleen keurig, in een zwart pak gestoken met een
subliem gestreken en gesteven wit overhemd, mensen buiten zijn gezin te woord
staat.
Sjouke vindt ook ontspanning in muziek. Hij is een getalenteerd
en begenadigd organist. Zijn gezin is groot genoeg voor een klein zangkoor. Er
worden dan ook vele psalmen en gezangen gezongen rond het orgel. Of hij
luistert naar Jan Zwart
die voor de NCRV-radio het orgel bespeelt, soms wel anderhalf uur lang. Vanwege
zijn doofheid zit hij dan met zijn oor tegen de luidspreker. Iedereen in de
kamer moet stil zijn.
Sjouke en Anna spreken af en toe Spaans met elkaar. Het
gaat dan over zaken die niet voor kinderoren zijn bedoeld.
In die periode krijgt Sjouke bemoedigende post, zoals een persoonlijk
bedankje van de toenmalige minister-president Hendrik Colijn.
Hij bedankt Rijper voor zijn felicitaties met het huwelijk van kroonprinses
Juliana en Bernhard van Lippe Biesterfeld op 7 januari 1937. Colijn had de
goedkeuring hiervoor door de Tweede Kamer geloodst. Afwending van een crisis in
de monarchie is weer een stapje dichterbij, nu de al 28-jarige Juliana
eindelijk een partner heeft. Sjouke is apetrots op het schrijven van de
premier.
Hij krijgt ook hart onder de riem gestoken met een kaart
van Henry Beets, vooraanstaand predikant en doctor in de letteren in de
Verenigde Staten, die Sjouke kent via de Christelijke
Emigratie Centrale. Beets schrijft in 1938 dat hij uit Tres Arroyos heeft
gehoord dat ze Sjouke daar nog steeds missen. “Some of our best
members are those who received instruction from meester Rijper, and they often
speak of him! Ds. Rijper did much for Tres Arroyos.” In het
oktobernummer van de Reformed Review Missionary Monthly ‘De
Heidenwereld’ schrijft Beets dat ruim achttien jaar na
Rijpers vertrek “bij huisbezoeken in Tres
Arroyos telkens uitkomt hoe vroegere predikanten niet tevergeefs hebben
gearbeid. Vooral het werk van Ds. Rijper wordt nog steeds in gezegende
gedachtenis gehouden.”
Het betekent veel voor Sjouke. Maar net als het iets beter
met hem lijkt te gaan, zijn er overlijdens. Op 26 juli 1938 sterft op 44-jarige
leeftijd Klaas
Rijper, de enig overgebleven broer van Sjouke. Klaas had een
gezin met vier dochters en twee zonen (Aafje, Geb, Henny, Nelly, Nico en Ina).
Oorlogsjaren
Sjoukes jongste kind, Henk
Rijper, herinnert zich nog het moment dat hij de eerste Duitse militairen ziet.
Het is voorjaar 1940. Henk loopt als tienjarige met zijn ouders en een paar
broers in de stad. “Ineens zie ik die
soldaten. Ik roep enthousiast: Kijk pap! Duitsers!” Maar dat enthousiasme
wordt niet op prijs gesteld. Henk krijgt van de dominee een flinke draai om z’n
oren en moet zwijgend doorlopen.
In de oorlog maakt het gezin Rijper zware tijden door. Het
pensioen is allerminst toereikend voor dit grote gezin met opgroeiende
kinderen. Die zijn dan ook sterk vermagerd, net als de dominee zelf en zijn
vrouw Anna. Maar iedereen is “uitnemend gezond.” Sjouke geeft een vriend per
brief een update van zijn gezinsleven. Hij schrijft dat zijn twee uitwonende
zonen Piet
en Sjouke
- beiden
getrouwd – onderwijzer zijn. Dochter Suze
heeft met
haar man Gert Veenendaal een bloeiende kunsthandel in
Amersfoort. Annie
is gelukkig getrouwd
met politieman Bert Schoemaker en woont in IJmuiden. Kees trouwt met Lenie de
Graaff. Sjouke heeft hem eerder met handoplegging bevestigd in het ambt van
predikant. Kees had Spaans geleerd om het missiewerk van zijn vader in
Argentinië voort te zetten. Maar daarvoor was geen draagvlak bij zijn vrouw,
die erg gehecht was aan haar moeder.] Thuis wonen nog acht kinderen. Jo
is onderwijzeres in Amersfoort. Klaas
procuratiehouder bij een handelsfirma (Schuitema).
Mien
is eerste verkoopster in “een belangrijke grote zaak” (Ramselaar). Trijntje
is hulp in de huishouding. Frans
werkt als landmeter op het kadaster in Amersfoort. Johan
zit in zijn laatste jaar van de kweekschool en wil onderwijzer worden. Theo
zit in het derde jaar van het gymnasium. Henk
gaat naar de bakkersschool, zo schrijft de dominee. De inwonende kinderen die
werken, betalen iedere maand kostgeld.
Leven en dood liggen dicht bij elkaar in die periode. In de
eerste oorlogsjaren worden de eerste kleinkinderen
geboren, maar zijn er ook overlijdens. Anna Rijper verliest op 30 april 1940 haar
moeder Johanna
Ros. Het jaar erop, op 15 januari 1941, overlijdt Sjoukes
moeder Aafje
op 85-jarige leeftijd.
Aan het familieleed lijkt geen einde te komen. Sjoukes
oudste kind, de verpleegkundige Aafje, krijgt op 30 december 1942 de taak om een zoon uit een
gezin dat zij verzorgde naar een onderduikadres te begeleiden, om zo te
voorkomen dat hij naar Duitsland zou worden gestuurd voor de ‘Arbeitseinsatz’. Op station Utrecht
stappen ze over. Daar botst de jongen in de haast
met zijn koffer tegen een Duitse officier. Hij krijgt een
draai om zijn oren en een scheldkanonnade in onvervalst Duits. Aafje springt
ertussen, duwt de jongen vooruit en spreekt de Duitser aan op zijn gedrag. Het
was immers een ongelukje. Vervolgens krijgt de 31-jarige zuster de volle laag.
Wat er precies is gezegd en gebeurd, is onduidelijk.
Wel staat vast dat Aafje zich letterlijk doodschrikt.
Ze krijgt een hartverlamming en overlijdt op het perron. Kees Rijper en zijn
vrouw Lenie ontvangen enkele dagen later een bedankkaartje van
haar, geschreven en gepost op de dag van haar overlijden.
Sjouke schrijft over haar dood: “Een zwaar verlies, daar zij als verpleegster vader zoo goed begreep.
Evenwel, zij juicht boven en haar lot is heerlijk.” En Anna in
retroperspectief: “We hebben ons zeer
verwonderd om de grote berusting waarmee hij dit leed droeg.”
En het gaat ook beter met Sjouke. Over zichzelf schrijft
hij: “Geëmeriteerd in het midden des levens
is geen kleinigheid, maar het gaat nu, hoezeer ik praktisch op één long leef,
toch meer bergopwaarts. Ik mag zo nu en dan weer uit preeken gaan en ik beschik
nog over een stemapparaat dat voor een honderd of zes menschen nog heel goed
dienstig is. Mijn zenuwleven is weer sterker en mijn hoofdlijden gaat zoo goed
als geheel verdwijnen. Ik kan weer aardig studeren en behoef in geenen deele
als een invalide van geest te staan tegenover de stroomingen van den tijd en
kan dus ook praktisch in mijn preekwerk zijn.”
Lichtpuntjes in deze donkere dagen zijn
voor Sjouke de preekverzoeken. Veel predikanten zijn ondergedoken. Sjouke
vervangt hen maar al te graag. Eens in de twee weken bestijgt hij de kansel.
Zeer verheugd en trots is hij als hij in 1943 nog eenmaal het kerstevangelie
mag brengen aan de kleine kerk van Drimmelen in Noord-Brabant. De hele week
bereidt hij zich voor om ’s zondag te mogen voorgaan. In 1944 preekt hij af en
toe in plaatsen als Maarn, Maastricht, IJmuiden, Lunteren, Willemstad en Renswoude,
zo blijkt uit zijn laatste preekschriftje.
Hij wordt in natura uitbetaald. Jo: “Dan
werd hij na de dienst weer thuisgebracht en dan zat in de wagen eten verstopt
voor het hele gezin. Dat waren blije momenten.”
In die tijd is hij ook penningmeester van de afdeling
Amersfoort van het Nederlands Bijbelgenootschap. Later neemt hij de functie van
secretaris erbij. Ook verricht hij diensten voor de Vrije Universiteit. Anna
zet zich in die tijd in voor de Christelijke Vrouwenbond. En om wat extra geld
in het laatje te brengen geeft dochter Jo bijles aan schoolkinderen. Als een
ware pater familias zit hij in
januari 1944 aan het hoofd van de tafel tijdens een chique diner. Veel te
chique in zijn ogen.
Johannes Bosboomstraat 15 staat in de oorlog bekend als een
‘Oranjenest’.
Het gezin houdt zich bezig met verzetsactiviteiten. Sjouke en Anna bieden
onderdak aan een onderduiker. Piet is in zijn diensttijd sergeant geworden en aan
het begin van de oorlog is hij gemobiliseerd. Officieren dienen zich na de
overgave te melden, maar dat laat hij na, duikt onder in Willemstad en Heerlen
en sluit zich aan bij het verzet. In 1944 zit hij geregeld in Londen. Piet
helpt in het voorjaar van 1945 de geallieerden Nederland te bevrijden. Frans,
Klaas, Suze en Jo zitten in de illegaliteit.
Frans (staand rechts) komt via zijn werk op het kadaster
bij de Raad Van Verzet. Hij is als groepscommandant bij ‘de
Groep Max’ (van
Max J. Kreupeling en Rudolf Koopmans) actief betrokken bij sabotageacties (o.a.
op het spoor) en overvallen op distributiekantoren. Voedsel- en kledingbonnen
worden via de LO (Landelijke Organisatie voor Hulp aan Onderduikers) van de Vrijgemaakt
Gereformeerde kerk in het Amersfoortse Soesterkwartier verdeeld onder
onderduikers. In de geluidsdichte kelder van het kadastergebouw worden
schietoefeningen gehouden. Frans betrekt ook Klaas (staand midden) en de bij de
Rijpers ondergedoken Leidse timmerman (Henk
van Dijk, staand links) en nog een stel jongens uit de buurt
bij zijn verzetswerk.
Het gezin is ook actief bij het vinden van adressen voor
onderduikers. Op Hof 7, bij de kunsthandel van dochter Suze en haar man Gert
Veenendaal, kunnen onderduikers vaak terecht. Hier zijn ingenieuze
schuilplaatsen op zolder en boven de wc gecreëerd. Is er voor een dringend
geval een koerierster nodig, dan kun je altijd bij de Rijpers aanbellen. Jo
vervult die taak diverse keren. De Rijpers vinden hun illegale werk een
vanzelfsprekendheid. “Zeer gezegend zijn
we en dat blijkt ook uit het feit dat allen zonder uitzondering goede
Nederlanders zijn en de consequenties hiervan willen aanvaarden”, aldus de
dominee.
September 1944 is een bijzonder nerveuze maand voor zowel
de Nederlanders, de geallieerden als de Duitsers. Op de vijfde van die maand is
het Dolle Dinsdag. Het vermoeden heerst dat de bevrijding nabij is.
Nederlanders halen de driekleur te voorschijn. Ondergedoken Joden komen te
voorschijn. Duitsers verbranden in paniek administratie en NSB-ers slaan op de
vlucht. Maar de geallieerden zijn onvoldoende op sterkte om door te stoten naar
Nederland. De Slag om Arnhem, Operatie Market Garden, die op 17 september
begint, mondt uit in een fiasco. De dag erop begint de grote spoorwegstaking
die zal duren tot de bevrijding. 30.000 personeelsleden van de NS leggen het
werk neer.
Op 20 september droppen de Engelsen gebruikte
kerosineblikken boven Amersfoort. Eentje komt terecht op het huis van Max
Kreupeling, de leider van de RVV-groep waar Frans en Klaas Rijper deel van
uitmaken. Bij de ontploffing en brand die dit tot gevolg heeft, komen
Kreupelings vrouw en een onderduiker om. Uit angst dat tussen de restanten van
het huis wapens worden gevonden die de groep uit een Duitse vrachtauto had
gestolen, worden ze verdeeld onder RVV-leden. Aan de Frans Rijper wordt ook
gevraagd een paar van die wapens tijdelijk te verbergen. Dat doet hij, nadat
zijn moeder daarmee instemt. Vader Sjouke weet van niets.
Op een zekere avond klinkt uit het raam van hun huis een
oorverdovende knal. De jongens proberen een wapen uit of oefenen ermee. Ze
schrikken er zo van dat het daarbij blijft.
Hoe nerveus het is, blijkt ook uit de dreigementen aan het
adres van de ondergedoken schoonzoon Gert Veenendaal. Hij zit tot zijn nek in
het Amersfoortse verzet en houdt zich verborgen omdat hij wordt gezocht. Omdat
hij af en toe toch opduikt, komt hij zelfs onder druk te staan van het verzet
zelf. Ze zijn bang dat hij wordt opgepakt en dat hij bij zijn verhoor zal
doorslaan, met alle gevolgen van dien. Als hij zich nog eens vertoont, zal hij
door het Amersfoortse verzet worden omgebracht. Veenendaal laat zich niet meer
zien en zal nooit worden opgepakt door de Duitsers.
Op 29 september 1944 liquideert het Amersfoortse verzet mr.
Joannes Frima, een advocaat en vooraanstaand NSB-er. Vier dagen na de aanslag
worden twee leden van het verzet bij wijze van represaille gefusilleerd op de
plek waar Frima zijn dood vond. Frima’s zonen, die fanatieke NSB-ers zijn,
zweren wraak op het Amersfoortse verzet. “Wij
zetten zijn strijd voort”, schrijven zij in de
overlijdensadvertentie van hun vader.
Op vrijdag 6 oktober wordt een grote razzia gehouden in
Amersfoort. Duitsers ronselen willekeurige mannen van tussen de 17 en 40 jaar
voor de arbeidsinzet. Ze verzamelen zesduizend mannen op het kazerneterrein aan
de Leusderweg, op een kilometer afstand van de Rijpers. Van sommige mannen die
ze aangehouden, doorzoeken SS-ers de huizen. Ze zoeken naar bewijzen voor
verzetsactiviteiten, zoals wapens. De Amersfoortse straten zijn die dag en de
dagen erna verlaten. Ook het domineesgezin, dat een onderduiker, een radio en
wapens verbergt, blijft binnenshuis. De spanning loopt zo hoog op dat het voor
Amersfoortse predikanten onmogelijk is om voor te gaan.
Het is een misverstand dat Sjouke zogenaamde verzetspreken
houdt. Zoals gezegd, preekt hij mede vanwege zijn slechte gezondheid niet vaak.
En openlijk de Duitsers bekritiseren is zeer gevaarlijk. Wel spreekt hij de
broeders en zusters moed in en biedt ze troost door het evangelie te verkondigen.
Twee dagen na de razzia, op zondag 8 oktober, preekt Sjouke wel. Het is in de
kerk aan de Zuidsingel in Amersfoort. Dat valt in die dreigende periode te
beschouwen als een daad van verzet. Alsof hij het onheil voorziet, preekt hij
over Psalm 31 van David; een gebed in
nood.

“Bij U, Here, schuil ik,
laat mij nimmer beschaamd worden.
Doe mij ontkomen door uw gerechtigheid,
neig uw oor tot mij, red mij haastig.
Wees mij tot een beschuttende rots,
tot een sterke vestig om mij te redden;
want Gij zijt mijn steenrots en mijn vesting,
en om uws Naams wil zult Gij mij voeren en leiden.
Gij zult mij trekken uit het net dat men voor mij had
verborgen,
want Gij zijt mijn veste.
Het wordt zijn laatste preek. Hij eindigt met de woorden: “Bij U schuilen, als alles ons ontvalt, ja
ook als de kogel ons treft.” Die kogel is dan dichterbij dan hij op dat
moment kan bevroeden.
Ruim een maand later, in de avond van donderdag 16 november
1944, gaat het mis. Uit verklaringen in de strafdossiers van enkele
landwachters die na de oorlog zijn veroordeeld en getuigenissen van Anna, Jo en
Johan Rijper valt die bewuste avond redelijk gedetailleerd te reconstrueren.
Rond 19:00 uur gaat de beruchte
Amersfoortse politieagent Diederik Lutke Schipholt (foto links/ hij zou later
door het verzet geliquideerd worden) samen met rechercheur der Politieke Dienst
Willem Dissevelt in burger op pad. Ze worden vergezeld door de landwachters
(hulpagenten) Piet Frima, Gijsbert van Spankeren, Willem Vergouwe, Piet van der
Zon, die ook allen die avond het uniform thuisgelaten hebben. De landwachters
verklaren na de oorlog dat bij Lutke Schipholt een tip zou zijn binnengekomen
dat de Rijpers een radio bezaten, zonder vergunning en dat zij daarover
“provocerend optraden.” Maar het lijkt er op - gezien de omvang van de operatie
- dat de politie meer wist. Het stel verzamelt die avond bij Van Spankeren die
in de buurt van het huis van de Rijpers woont. Ze laten de fietsen daar staan
en gaan te voet naar het adres dat naar hun zeggen gemakkelijk is te herkennen
aan de witte vlaggenstok in de voortuin. Van Spankeren stelt zich stilletjes op
in de achtertuin van het huis om eventuele vluchters op te vangen.
De Rijpers
luisteren op dat moment in de achterkamer naar de Engelse radio. Rond 20:10 uur
wordt er aangebeld. Zachtjes aangebeld, verklaart Anna, zodat de familie denkt
dat het hun contactpersoon Rudolf Koopmans is van de Groep Max. Frans Rijper
doet open en ziet een groep mannen in burger staan. Hij denkt dat ze gestuurd
zijn door Koopmans en neemt de vijf mannen, zonder een woord met hen te
wisselen, mee de voorkamer in, waar verder niemand is. Lutke Schipholt speelt
het spel mee en spreekt een paar minuten met Frans. Hij vraagt of het niet
gevaarlijk is om zo maar mensen binnen te laten. Waarop Frans nietsvermoedend
antwoordt: “Als jullie fout waren, waren
jullie nu al een lijk geweest.”
Frima
zegt later dat hij op dat moment dacht dat hij in de val was gelokt. “Toen ik dat hoorde, wenste ik dat ik er
alvast maar weer levend uit was, temeer daar ik aan het geroezemoes van de
stemmen horen kon dat de achterkamer vol mensen zat”, verklaart hij.
Sjouke, Anna en de kinderen zijn in de achterkamer ook in
de veronderstelling dat Frans met een contact uit het verzet praat. Frans
vertelt de mannen dat in de kamer ernaast naar de Engelse radio wordt
geluisterd. Volgens Frima maakt Lutke Schipholt “een einde aan de komedie” door
zijn wapen te trekken en Frans te sommeren zijn handen omhoog te doen. Frima
fouilleert Frans en ontdekt tot zijn verbazing dat hij geen wapen draagt. Piet
van der Zon trekt de schuifdeur naar de achterkamer open een schreeuwt
luidkeels: ‘Handen omhoog!’ Het gezin
krijgt de lopen van pistolen op zich gericht. Volgens Van der Zon is het gezin
verbijsterd. Sjouke, Anna en de kinderen reageren in eerste instantie
stomverbaasd, bijna lacherig. Na een tweede bevel realiseren ze dat het menens
is. Frans wordt de achterkamer ingeduwd waar zijn handen met een stuk touw
worden gebonden. Klaas herkent onmiddellijk Piet Frima. Hij heeft bij hem in de
klas gezeten en was destijds notabene met hem bevriend.
Omdat vaststaat dat de Rijpers een radio bezitten en de
onderduiker Henk van Dijk huisvesten, belt Van Spankeren bij een nabij wonende
landwachter met de Feldgendarmerie. De overige landwachters beginnen het huis
te doorzoeken. Ondertussen wordt er gevloekt en getierd tegen Frans Rijper.
Volgens Frima had Lutke Schipholt hem wijsgemaakt dat Frans de moordenaar van
zijn vader was, de hoge NSB-er Joannes Frima. “We zullen jou wel eens krijgen”, schreeuwt Frima. “Als je de waarheid niet zegt, zal ik je
naar De Schothorst brengen.” Hij doelt op de modelboerderij in Hoogland
waar zijn vader enkele weken geleden was geliquideerd. Later blijkt dat Frans
daarmee niets van doen had.
Frima
geeft zijn wapen aan Vergouwe die nu twee pistolen op het gezin richt. Terwijl
de familie met de handen in de nek staat, trekt Frima de bijbels van dominee
Rijper uit de boekenkast en gooit die op de grond. Sjouke vraagt hem er wat
behoorlijker mee om te gaan omdat ze hem heilig zijn. Frima reageert met
hoongelach. “Als jullie Christenen waren,
dan moesten jullie allang aan het Oostfront zitten.”
Drie kwartier na het begin van de inval, omstreeks 21:00
uur, arriveert de gealarmeerde Feldgendarmerie (Duitse militaire politie). Zij
horen het verhaal van de landwachters aan en nemen Frans, Klaas en onderduiker
Henk van Dijk per auto mee voor verhoor naar de Ortkommandantur aan de
Regentesselaan te Amersfoort. Stabsfeldwebel Jonas ondervraagt hen. Ook landwachter
Lutke Schipholt is daar aanwezig. Hij slaat bij dit verhoor één van de jongens
in het gezicht.
De daaropvolgende uren wordt het huis verder
overhoop gehaald. Al die tijd staan de Rijpers, inclusief de ziekelijke Sjouke,
die slecht ter been is en kampt met een liesbreuk, met de handen in hun nek. In
een schuilplaats in een kledingkast van Sjouke worden een helm, een bajonet,
een handgranaat en twee koppelriemen gevonden. Ook treffen de landwachters in
de woning kaarten van het spoor aan, volgens hen bedoeld om te bepalen waar
springlading moet worden aangebracht om spoorwissels op te blazen. Verder
vinden ze illegale pamfletten.Na drie uur worden de overigen van het gezin
afgevoerd .
In de koude, donkere novemberavond lopen Sjouke (60) en
Anna (58) met zes van hun nog thuiswonende kinderen onder begeleiding van drie
landwachters in een rij door Amersfoort: (op de foto v.l.n.r.) Theo (16), Mien
(20), Jo (23), [Frans (18) was al afgevoerd], Henk (15), Trijntje (21) [Klaas
(22) was al afgevoerd] en Johan (17). Het wordt een wandeling van de
Bosboomstraat naar het voormalige
politiebureau aan de Utrechtsestraat 53 dat dienstdoet als
W.A. Bankwartier, het hoofdkwartier van de Landwacht. Ze brengen met z’n allen
de nacht door in een grote afgesloten ruimte onder bewaking van Amsterdamse
landwachters.
Op basis van wat namen en adressen uit een gevonden
notitieboekje van Klaas Rijper doet de landwacht die nacht invallen op meerdere
adressen. Deze actie loopt uit op een fiasco, want geen van die personen is via
de Rijpers in verband te brengen met illegaliteit.
Omstreeks 04:00 uur in de nacht komt Frima de ruimte van
het politiebureau binnen met een lantaarn in z’n ene hand en een pistool in z’n
andere. Het gezin wordt in een open vrachtauto met enkele andere arrestanten
naar concentratiekamp Amersfoort gebracht. Op die vrachtauto, in de vrieskou,
worden ze herenigd met Klaas, Frans en onderduiker Henk van Dijk, die alle drie
geboeid zijn. Klaas had de avond ervoor in de gauwigheid geen jas kunnen
aantrekken en maar één schoen. Een van de dochters geeft hem een sjaal. Anna
spreekt kort met hen. De jongens zeggen dat Frima hen verdenkt van de moord op
zijn vader. Ze staan doodsangsten uit, net als de overige gezinsleden. In Kamp
Amersfoort worden ze, gescheiden naar sekse, over de
bunkercellen verdeeld. Het zijn 22 betonnen cellen in een
gebouw dat er vanaf de buitenkant uitziet als een gewone barak.
De dag na de overval, vrijdag 17 november, in de schemering
van omstreeks 17:00 uur, gaan Piet Frima en Piet van der Zon terug naar het
huis van de Rijpers, naar eigen zeggen om de radio op te halen. Ze besluiten
Bosboomstraat 15 aan een nog grondiger onderzoek te onderwerpen. Onder het bed
van de dochters Jo en Mien vinden ze diverse wapens; volgens Frima twee
stenguns en een karabijn. De dochters hadden er geen weet van.
Frima
verklaart later: “We hadden de
gelegenheid om de wapens te doen verdwijnen. Maar die hebben we niet benut. Door
de wapens aan de Duitsers uit te leveren, wist ik dat daarmede het doodsvonnis
van de oudste zoons van dominee Rijper kwam vast te staan.” Frima is na de
wapenvondst bang voor een overval door de illegaliteit. Hij roept een derde
landwachter op om met getrokken pistool voor het huis van de Rijpers de wacht
te houden terwijl hij en Van der Zon verder zoeken. Ze vinden verder niets.
Zaterdag 18 november is er familieverhoor
in concentratiekamp Amersfoort. Klaas, Frans en Henk van Dijk in de ene hoek van
de verhoorkamer met hun handen in hun nek. De overige gezinsleden (inclusief
Sjouke en Anna) recht tegenover hen op een rij onder bewaking van enkele
zogeheten ‘kettinghonden’ (leden van de Feldgendarmerie). Ze krijgen te maken
met de sadistische SS-UnterSchutzhaftlagerführer Joseph
Kotälla. Hij is een dan 38-jarige Pool in Duitse dienst, oudste van de vijf
zonen van een evangelisch katholieke staalarbeider uit Chorzów (in het Duits:
Bismarckhütte). Kotälla is de plaatsvervanger van kampcommandant Karl Peter
Berg. Voor de oorlog is Kotälla al eens krankzinnig verklaard. Als kind was hij
psychotisch en stond hij hiervoor onder behandeling van een Joodse zenuwarts.
Toch (of misschien juist daarom) wordt hij in 1939 toegelaten tot de SS. In
1941 wordt hij tegen zijn zin als bewaker geplaatst in de gevangenis van
Scheveningen. Zijn psychiatrische problemen steken hier weer de kop op. Van
januari tot april 1942 staat hij met tegenzin onder psychiatrische behandeling
in een Duits Luftwaffe-hospitaal in Den Haag. In september 1942 wordt hij
overgeplaatst naar Kamp Amersfoort. In december stort Kotälla weer in. De
linkerzijde van zijn gezicht raakt tijdelijk verlamd. In het Wilhelmina
Gasthuis in Amsterdam wordt hij zelfs opgesloten in een isoleercel. Hij vormt volgens
de artsen een direct gevaar voor zichzelf en voor anderen. In die kliniek
krijgt hij ‘diverse inspuitingen’ toegediend (lumbale en occipitale puncties).
Ondanks twijfels bij de Duiters over Kotälla’s geestelijke gezondheid, mag hij
daarna toch zijn werk in Kamp Amersfoort hervatten. In het kamp drinkt bij veel
alcohol, liters koffie en slikt hij peppillen (Pervitine). Onder invloed van
deze middelen mishandelt hij gevangenen op afschuwelijke wijze met gebruik van
Spaans riet, gummistok of zijn beruchte Kotälla-trap (in het kruis).Kotälla
vraagt de Rijpers waar de wapens vandaan komen. Niemand heeft een idee. Hij
roept: “Sind Sie Pastors Kinder? Denn ist
es eine schöne Kirche in Holland, wenn alle Pastors Kinder so lügen.” Als
Kotälla en de kettinghonden even de verhoorkamer uitlopen, fluistert Frans dat
hij heeft bekend alleen verantwoordelijk te zijn, in de hoop daarmee Klaas
Rijper en Henk van Dijk vrij te pleiten. Henk van Dijk zegt dat hun is verteld
dat ze worden doodgeschoten. De Rijpers tegenover hem zeggen dat ze dat niet
moeten geloven en fluisteren de drie moed in.
Wie heeft de Duitsers getipt over de radio en/of wapens in
de woning van dominee Rijper? Daarover is in de laatste maanden van de oorlog
en de jaren erna veel gespeculeerd. Eigenlijk tot op heden. De kwestie ligt dan
ook nog steeds zeer gevoelig. Onvoorzichtigheid van de jongens? Een lek binnen
het kadaster of de Raad Van Verzet? Infiltrant R. de Lange in huize Veenendaal?
De ware toedracht is nooit aan het licht gekomen. De meest waarschijnlijke
versie is dat de Duitsers wisten dat de Rijpers zeer Oranjegezind waren en
bovendien via dochter Suze gelinkt waren aan de ondergedoken Gert Veenendaal,
die al geruime tijd zeer hoog op het verlanglijstje van de Duitsers stond.
Europa is op dat moment al half bevrijd. Het is duidelijk
dat de Duitsers de oorlog zullen verliezen. De bezetter neemt het niet meer zo
nauw met strafprocedures, voor wat die al waard waren. In juni 1944 was een Frontbefehl van hogerhand van kracht geworden
waarin werd bevolen dat iedereen die onbevoegd vuurwapens, munitie of
springstoffen in bezit had, zonder vorm van proces ‘nieder zu machen’. SS
Brigadeführer Karl Eberhard Schöngarth, de toenmalige Befehlshaber van het Sipo-hoofdkantoor te Den Haag had op 11
september 1944 het volgende geheime telexbericht verstuurd dat hierop aansluit:
“Wenn sich irgendwo Wiederstandzentren
zeigen, insbesondere wenn irgendwo die Abhaltung illegalen Versammlungen
bekannt wird, so sind diesalle Versammlungen rücksichlos zu sprengen und die
Teilnehmer niederzumachen, sofern nicht besondere Gründe für eine Festnahme
sprechen.”
Op basis hiervan werd het een usance om gearresteerde
verzetslieden ter plekke te fusilleren, bij wijze van represaille voor
verzetsdaden. Klaas en Frans Rijper en tevens Henk van Dijk zijn ook dergelijke
‘Todeskandidaten’: arrestanten die in
de ogen van de betrokken autoriteit van de Aussenpost
van Sicherheitspolizei/Sicherheitsdienst (Sipo/SD)
te Utrecht ‘todeswürdig’ zijn.
Sjouke, Anna, Johan, Jo, Mien en Trijnie zijn ‘vorläufig Festgenommenen’ voor de duur van het ‘onderzoek’ naar
hun daden.
Sjouke verblijft met zijn twee jongste zonen in één cel.
Omdat er maar één ‘matras’ is, slapen de jongens om beurten op de brits bij
Sjouke en op de koude celvloer. Kotälla laat de dominee en de jongens getuigen
van mishandeling van gevangenen, wellicht om een voorbeeld te stellen. De bril
van een slachtoffer valt op de grond en wordt kapot gestampt. “Die heb je toch
niet meer nodig”, wordt eraan toegevoegd. Henk zegt, terugdenkend aan die tijd:
“Ik hoor het die kampbewaker nog zeggen.
Nu begrijp ik wat er daarna met die gevangene is gebeurd. Maar toen realiseerde
ik me dat niet. Het houdt me nu meer bezig dan ooit.”
Henk Rijper herinnert zich ook een gesprek tussen zijn
vader en een kamparts, vermoedelijk de tewerkgestelde dokter (annex gevangene) Hein
Boerma. “Nu zijn we
toch wel in de hel terecht gekomen”, zegt de dokter tegen de dominee.
Sjouke antwoordt: “Dat lijkt er wel op,
maar geloof me, God is ook hier.” De jonge Henk hoort het met verbazing
aan. “Toen dacht ik, als dat waar is, is
dat de God die ik wil dienen”, zegt hij 62 jaar later. Het is de basis voor
zijn geloof in zijn verdere leven.
De verslagen van de verhoren van de Rijpers in Kamp
Amersfoort zijn niet bewaard gebleven. Het Nederlands Instituut voor
Oorlogsdocumentatie beschikt wel over de verhoren
van Paul Fröhlich, destijds een 41-jarige Kriminalsekretär
en SS-Sturmscharführer van de Sipo te
Utrecht. Die vertelt in een naoorlogs verhoor dat de politie Amersfoort het
proces verbaal van de arrestatie van de Rijpers naar de buitenpost van de Sicherheitspolizei in Utrecht stuurt.
Utrecht moet alle arrestaties voorleggen aan Willy Lages, Kriminalrat van de Aussenstelle
Amsterdam (later, net als Joseph Kotälla, één van ‘De Vier van Breda’). Lages
neemt op zijn beurt per telex contact op met
SS Brigadeführer Karl Schöngarth in Den Haag. Of deze ‘chain of commands’ in
het geval van de Rijpers helemaal zo is bewandeld, staat niet vast. Fröhlich
zegt wel dat hij van de Sipo Amsterdam per telex het bevel krijgt om de
gebroeders Rijper, onderduiker Henk van Dijk en de Soester verzetsman Henricus
van Breukelen te fusilleren. Het afschuiven van verantwoordelijkheden voor misdaden
was een vaak voorkomende verdediging in de processen na de oorlog.
Op zaterdag 18
november 1944, enkele uren na het familieverhoor, worden Klaas Rijper, Frans
Rijper, Henk van Dijk door Kotälla uit de bunker gehaald. Van Breukelen komt
uit het Lager. Hij draagt kampkleding. De jongens worden zogenaamd op transport
gezet naar Utrecht om vervolgens naar Duitsland te gaan. Papieren hiervoor
worden ingevuld, zo blijkt later uit de kampadministratie. Toch is er geen
transport. Alleen de wandeling tot halverwege de in aanleg zijnde schietbaan.
Kotälla trekt een witte doktersjas aan, om zijn uniform voor vlekken te
behoeden. Vier ongewapende jongens staan zonder blinddoek tegenover de SS-ers
Oberle, Brahm, Reuswich, Herzog, Neuman, Feuerstein en hun commandant Kotälla.
In deze uitzichtloze situatie pleegt één van de jongens zijn laatste
verzetsdaad. Het zou zo maar Frans Rijper geweest kunnen zijn. Hij had een
scherpe tong. Staand voor het vuurpeloton zegt één van de jongens tegen Kotälla
in het Duits: ‘Je bent een flinke kerel,
dat jij ons neerschiet. Daarvoor krijg jij vast het IJzeren Kruis.’ Dat
maakt indruk op Kotälla. Hij vertelt er in juni 1945 over tijdens een
verhoor. Unterscharführer
Karl Weinand Feuerstein bevestigt in zijn verhoor deze laatste verzetsdaad en
vertelt hoe de fusillade verder verliep. “Kotälla
ging naast ons staan en beval iedere twee man op een door hem aangewezen man te
richten.” Het viertal wordt zonder blinddoek op vier meter afstand
doodgeschoten. Feuerstein: “Na de serie
schoten, stortten er drie meteen neer. De vierde enige seconden later omdat die
kennelijk niet dodelijk was getroffen. Kotälla gaf hierop twee of drie gevangen
een genadeschot.”
Tot aan het einde van de oorlog is de familie niet van de
moordpartij op de hoogte. Ze denken dat de jongens in concentratiekamp
Neuengamme zitten, vlakbij het Duitse Hamburg of in de Deutsche Straf und Untersuchungsgefängnis in Utrecht. Kamp Amersfoort
was immers een ‘Polizeiliches
Durchgangslager’. De foutieve kampadministratie geeft de familie na de
oorlog valse hoop.
Twee dagen na de executie, op maandag 20 november, doen
landwachters een inval in het huis Gert Veenendaal, de echtgenoot van Sjoukes
dochter Suze. De zogenaamd gedeserteerde Duitser R.H. Bel (alias R. de Lange) zit naast de Veenendaals
op Hof 6 ondergedoken. Hij is een V-Mann (Vertrauensmann) die in het verzet is
geïnfiltreerd. Bel meldt de Landwacht die ochtend dat zijn voorvluchtige
buurman nu thuis zit te ontbijten. Er wordt onmiddellijk uitgerukt. Gert
Veenendaal (alias ‘meneer Jansen’) wordt niet aangetroffen, maar in de
schuilplaatsen op zijn adres Hof 7 vinden ze wel vijf onderduikers. Drie van
hen komen later te overlijden in een Duits concentratiekamp.
Dominee Rijper weet niets van de executie van zijn zoons en
zit nog samen met Johan, Theo en Henk vast. De dinsdag erop, om tien uur ’s
avonds, wordt er op de cel gebonsd. Drie politieagenten komen Theo
en Henk ophalen, Vermoedelijk omdat ze nog te jong zijn voor
het kamp (Henk had zich een jaar jonger voorgedaan). Sjouke weet niet waar ze
heen worden gebracht. De jongens gaan naar het politiebureau en verblijven daar
een week in een cel. Theo is doodsbang en emotioneel. Henk pept hem dan op met: “Kom op joh. Zo geef je ze alleen maar hun
zin.”
Overdag moeten de jongens, onder bewaking van één Duitser,
met een handkar eten voor de gevangenen ophalen uit een gaarkeuken. Als de
bewaker af en toe niet oplet, sporen sommige omstanders hen aan om te
ontsnappen. Maar ze doen het niet, want waar moeten ze heen? Naar zuster Suze?
De jongens weten vermoedelijk niets van de eerdere inval op De Hof. Uit angst
hun zus en zwager te verraden, blijven ze bij elkaar.
Sjouke zit dan nog vast, samen met Johan. Hij schrijft soms
een brief naar huis. Familie en vrienden sturen sigaretten en andere
versnaperingen. Anna schrijft over Sjoukes gemoedstoestand op dat moment: “Hij was zich volkomen bewust niets anders
gedaan te hebben dan wat een vaderlander kon doen.”
Een paar dagen na hun arrestatie mogen de vrouwen even
luchten. Als ze buiten staan, zien ze een Duitser voorbij fietsen met een tas
van Klaas om z’n schouder en de klok uit hun woonkamer op z’n bagagedrager. Hun
huis is leeggeroofd.
Op zondag 26 november voelt Sjouke zich niet lekker. Anna
vraagt of dokter Boerma bij hem langs wil gaan. En dat doet de dokter. Hij
heeft een lang gesprek met de dominee, die hem zegt dat de gevangenis hem “een
Bethel” is geworden.
De dag erop zien Sjouke en Anna elkaar weer. Hij geeft aan
dat hij angstig is voor een verhoor door de Sicherheitspolizei in Utrecht dat
de dag rna staat gepland. Hij vreest dat hij een vraag niet zal verstaan
(vanwege doofheid) of een verkeerd antwoord zal geven. Hij is bang dat ze hem
zullen martelen. Maar hij put moed uit zijn geloof. Hij zegt tegen Anna dat hij
de Heiland lief heeft. “O, vrouw, de
Heere maakt alles wel.” En alsof hij het onheil voelt aankomen: “Wat ze mij ook doen, geeft niet. Voor jou
en de kinderen heb ik zoveel ik kon gezorgd en de Heere zal verder voor jullie
zorgen. Ik ben veel gauwer bij mijn Heiland.”
Dinsdagochtend 28 november 1944 ontmoet Sjouke zijn vrouw
Anna voor het laatst in de bunker. Kennelijk het het verhoor niet
plaatsgevonden. Hij mag naar huis, omdat hij zo ziek is. Nietsvermoedend nemen
ze afscheid. “Hij was goedsmoeds”,
schrijft Anna. “Trijnie maakte nog een
lekkere boterham voor hem klaar.”
De aankondiging van zijn vrijlating blijkt een al vaker
toegepaste list van Kotälla. Om onrust onder gevangenen te voorkomen roept hij
ze af om vrijgelaten te worden. Dat gebeurt ook bij acht verzetslieden uit
Zwolle die bij het spoor een seinhuisje hadden opgeblazen. Net als zij,
ontvangt ook Sjouke Rijper zijn vrijlatingsbewijs. Gereed voor vertrek zitten
ze in het wachtlokaal. Het duurt een tijdje omdat er zogenaamd geen vervoer is.
Sjouke zingt zachtjes psalmen voor zich uit. In z’n binnenzak z’n bijbeltje en
z’n kledingborsteltje. Buiten begint het donker te worden. Dan worden de acht
Zwolse verzetslieden afgeroepen: Philips Haye, Philip Bergwerf, Eduard Reinke,
Ubel Bulthuis, Cornelis Haye, Andries de Vries, Jan Bronsdijk, Hendrik Kolkman.
Kotälla, die erom bekend staat dat hij het gemunt heeft op geestelijken, kijkt
naar dominee Rijper en zegt: “Nehmen Sie
den alten Kerl auch mit. Er ist ja doch krank…”
Anna schrijft: “Hij
ging niet naar huis, maar naar het eeuwig Vaderhuis, waarnaar zijn hart altijd
uitging.”
Met een zwarte jas aan, grijze
handschoenen, een grijze sjaal om en een zwarte Garibaldi vilthoed op loopt
Sjouke Rijper in de schemering over de Appelweg. Ze gaan de verkeerde kant op.
Het dringt tot hem door dat ze niet naar huis gaan. Ze lopen richting een
boerderij net buiten het kamp. Het is een
tocht van bijna zeshonderd meter. Sjouke kan zijn lotgenoten
maar moeilijk bijhouden. Hij leunt zwaar op de zilveren handgreep van zijn
wandelstok. De plek des onheils is een heideveldje achter de boerderij. Hier
neemt Kotälla van iedereen de horloges en ringen af. De eerste vier worden één
voor één doodgeschoten. De dominee moet met de andere vier wachten. Staand voor
een open graf in de heidegrond en wetend welk onheil hem te wachten staat, vraagt
hij of hij nog iets mag lezen uit zijn zakbijbel. Dat wordt hem niet gegund.
Kotälla pakt het bijbeltje af, bladert er door en gooit het in de kuil. Hij
breekt Sjoukes wandelstok en gooit ook die in het gat. De ‘Beul van Amersfoort’
stapt opzij en geeft om half zes ’s middags voor de tweede keer zijn bevel: “Fertig machen! Legt an! Feuer!”
Ds. Popma: “Hij is
gestorven in volle geloofszekerheid. En hij had door ’t geloof het lot van zijn
gezin toevertrouwd aan God, zoals hij in vroeger jaren na strijd en moeite,
zijn werk in Zuid-Amerika, zijn gemeenten in Holland, zijn eigen levensgang, de
toekomst van zijn kinderen bewust had leren overgeven: God vergist zich niet!”
De moord op dominee Rijper gaat als een lopend vuurtje door
het kamp. Anna vermoedt dat er iets ergs is gebeurd. Niemand durft haar aan te
spreken. “De één een nog somberder
gezicht dan de ander.” Woensdagmorgen roept dokter Boerma Anna bij zich en
vertelt dat het voor 99 procent zeker is dat haar man is doodgeschoten. Die
middag volgt de bevestiging.
Anna zit dan nog met Jo, Mien, Trijnie en Johan vast. Mien:
“We mochten niet meteen laten merken dat we het wisten. De Duitsers wilden de
executie geheimhouden. We moesten ons vermannen, anders zouden ze uitzoeken wie
er had gelekt. We konden geen kant op met ons verdriet.”
Anna schrijft een paar dagen later, in brief aan haar
kinderen thuis, wel over het drama. “Wij
zijn bitter bedroefd, maar danken God dat hij van alle aardsche zorg en smart
verheven zalig thuis is.” ... “We mogen geloven dat zijn taak voorbij was.
Anders was hij nog bij ons.” ... “En nu kinderen, ga ik mijn weg alleen verder,
eenzaam maar met God gemeenzaam, totdat we eens vereenigd God mogen prijzen en
Jezus Christus die ons verlost heeft.”
Vanzelfsprekend volgen er brieven terug. Zoon Kees,
inmiddels zelf ook predikant, schrijft: “Heeft
God ons dan verlaten? Laat Hij dat alles maar toe? Het is zo moeilijk om vast
te houden dat God liefde is. En dat er geen haar valt zonder zijn wil...” En
in een andere brief: “Ik ken geen
wraakgevoel. Het is waar, God zal het vergelden.”
Sjoukes
jongste zonen, Theo en Henk, zijn door de Duitsers ondergebracht bij een ‘Deutsch freundliches’ bakkersgezin.
Maar die mensen blijken helemaal niet zo pro-Duits te zijn en zelfs verbonden
aan dezelfde kerk als de Rijpers. Deze bakker levert brood aan het Duitse
leger, maar heeft zijn vaderland niet de rug toegekeerd. Het is een onzekere
periode voor deze jonge knapen. Nog ontwetend over het lot van hun broers en
vader worden ze flink aan het werk gezet in de bakkerij. Hun kleren zijn
vervuild. Op een koude dag kloppen de jongens uit wanhoop aan bij warenhuis
Ramselaar, waar hun zuster Mien werkte, voordat zij werd opgepakt. Theo en Henk
vragen om schone, warme kleding. De eerste paar keer worden ze weggestuurd.
Maar ze houden aan. Uiteindelijk krijgen ze een stel lange kousen.
De jongens willen thuis kleding ophalen. De Johannes
Bosboomstraat 15 wordt nu bewoond door het landwachtersechtpaar Doorten. Dit
tweetal heeft niet alleen het huis betrokken maar is ook de inboedel van de
Rijpers aan het verkopen. Theo en Henk besluiten het erop te wagen. Ze breken
op klaarlichte dag in hun eigen huis. Een levensgevaarlijke actie. Er ligt
sneeuw. Vriendjes staan op de uitkijk. Zij doen zich voor als sneeuwruimers.
Afspraak is dat zij bij onraad een schep omhoog steken. Theo en Henk gaan naar
binnen. Veel waardevolle spullen zijn al gestolen of verkocht. Met behulp van
een bakkerskar van de Vergulde Korenaar stellen de jongens overige
familie-eigendommen veilig, waaronder ook drie mut aardappelen die Sjouke had
verdiend met zijn preken.
De familie hoopt dat Anna en haar kinderen rond kerst
worden vrijgelaten. Maar die hoop blijkt ijdel. Al zingend slijten zij de
dagen, want zingen ontspant. Als Kotälla de sinterklaasliedjes zat is, zwaait
de celdeur open en schreeuwt hij: “Was
ist hier los? Es ist hier doch keinen Puff!” De dagen erna galmen ook
kerstliederen door de kille bunker. Die geven niet alleen de vrome Rijpers
moed, maar ook medegevangenen, waarvan sommigen in verduisterde dodencellen.
Die vermoeden dat engelen zijn neergedaald in het kamp. Een gevangene, die het
kamp niet heeft overleefd, schrijft er over in zijn laatste brief naar huis, zo
blijkt na de oorlog.
Als de dames Rijper op een dag terugkomen van het luchten
hebben ze aan de deur van een dodencel kortstondig contact met een gevangene
daarbinnen. Hij heeft dorst en honger. Jo en Mien schuiven flinterdunne stukjes
worst op een papiertje onder de celdeur door. Ze maken een gootje van papier en
gieten hiermee drinkwater door het kijkgaatje van de celdeur. Het is uiteraard
allemaal niet zonder risico. Mien: “Ik
begin bijna weer te trillen als ik er aan denk.” Zij herinnert zich ook hoe
ze een stuk kerstbrood van de ene naar de andere cel bezorgen. Een holle
metalen spijl uit het bed wordt tussen de verwarmingsbuis en de muur gedrukt.
Ze drukken het brood door het buisje naar de overzijde. “Sorry dat het een beetje taai is”, voegen ze er aan toe. Humor
helpt overleven.
Pas op 23 januari 1945, als ze 68 dagen hebben vastgezeten,
worden Anna en haar dochters Trijnie, Mien en Jo vrijgelaten. Ze trekken
tijdelijk in het huis van de ondergedoken zoon Piet Rijper aan de Vincent van
Goghstraat 3, vlakbij hun eigen huis. Johan blijft vastzitten in Kamp
Amersfoort. Jo pakt haar verzetswerk meteen weer op.
Bij de Landwacht wordt op 15 februari een anonieme brief
bezorgd met de aanhef: “Kameraad!” In
de brief staat dat over twee dagen op een aangegeven adres, op een aangegeven
tijd een vrouw met een omschreven signalement een brief zal overhandigen aan
een man. Jo: “Ik was die avond bij mijn
zwager (Gert Veenendaal) die mij vroeg langs enkele onderduikers te gaan om hun
klachten over trage of ontoereikende betaling te onderzoeken.” Jo heeft een
briefje met hun adressen in code in haar handtas. Het zijn zelf verzonnen
geheugensteuntjes, zoals bijvoorbeeld:‘piano
Jo wordt vervolgens overgebracht naar Kamp Amersfoort. Onderweg
vraagt landwachter Piet Frima hoe het met haar broers gaat. Overbodig om te
zeggen dat hij allang weet dat de jongens zijn doodgeschoten. Jo antwoordt dat
ze vermoedelijk vastzitten in Utrecht. Na een pittig verhoor door Kotälla wordt
Jo Rijper op 20 februari overgeplaatst naar cel 160 van de vrouwenafdeling van
de Deutsche Straf und
Untersuchungsgefängnis te Utrecht, “bis
zum Verrecken”, zoals de kampbeul eraan toevoegt. Jo deelt haar cel met
Joyo Bouvy, verspreidster van anti-Duitse literatuur van uitgeverij ‘De Bezige
Bij’ en ze doodt de tijd met borduurseltjes.
Via een verzetscontact in Utrecht en een goede bewaarster ontvangt Jo in haar
cel pakketjes van het thuisfront. De adressen van de onderduikers heeft zij
nooit prijsgegeven.
Johan zit dan nog vast in blok IV van Kamp Amersfoort. ‘Schutzhäftling
Zover komt het gelukkig niet. De geallieerden stomen op. Na
een Canadees offensief in de buurt van Amersfoort zien de Duitsers in dat ze
beter kunnen vertrekken. Dat doen ze op 20 april, een dag nadat ze het kamp
hebben overgedragen aan het Rode Kruis. Johan is drie dagen ervoor vrijgelaten.
Sterk vermagerd en met een kaalgeschoren hoofd loopt hij naar huis. Daar wacht
hem een warm onthaal.
Jo krijgt op 29 april haar vrijheid terug. Zij loopt,
verzwakt als ze is, van het Wolvenplein in Utrecht naar de tijdelijke woning
aan de Vincent van Goghstraat in Amersfoort. Uitgeput loopt ze het tuinpad op.
Ze breekt als ze in de armen gesloten wordt van een blij verraste familie. Een
ontlading van verdriet en vreugde. Blij vanwege de terugkeer van Johan en Jo,
maar in diepe rouw om het verlies van Sjouke en met grote zorgen om het
onzekere lot van Klaas, Frans en Henk van Dijk.
Twee
maanden na de bevrijding
wordt het lichaam
van dominee Rijper gevonden in graf II, in het heideveldje achter het
boerderijtje net buiten het kamp. Hij blijkt te zijn overleden aan een
nekschot. Op 28 juni 1945 laat Anna het officiële overlijdensbericht
uitgaan. “Wij weten dat hij bij Jezus is,
wiens Naam te prediken zijn lust was”, staat er boven. Achter de namen van
Klaas en Frans staan dan nog vraagtekens. Zolang hun lichamen niet zijn
gevonden, is er hoop. Zijn ze dan toch nog in leven, in Duitsland? Een eerdere oproep
in de krant heeft niets opgeleverd. Vier dagen later worden
ook de lichamen van Klaas,
Frans en onderduiker Henk van Dijk gevonden.
Anna wacht een zware taak. Ze moet Joseph Kotälla
identificeren en hij haar. Ze staat oog in oog met de beul van Amersfoort, de
moordenaar van haar man en twee zoons. “Kennen
Sie diese Frau?”, is de vraag aan hem. Kotälla antwoordt ontkennend. Anna
ijskoud: “So, jetzt erkennen Sie mich
nicht mehr?” Kotälla: “Ach, sind Sie
die Pastors Witwe? Sie sehen nun viel besser aus!”
Daarna identificeert ze, samen met dochter Jo, haar man,
twee zoons en
huisgenoot op basis van kledingstukken die veelal gemerkt waren met initialen
en de stok van haar vader. Ze krijgen bij de identificatie de zakbijbel van
Sjouke. Ook herkennen ze de sjaal die Klaas van z’n zus had gekregen en ze zien
het blauwe sportjasje en de donkergrijs gestreepte broek van Frans. Jo had hem
eens op die broek aangesproken omdat hij te kort was, waarop Frans zei: “Deze broek hou ik aan. Die wacht op de
bevrijding.”
Henk Rijper erft de zilveren handgreep van Sjoukes
wandelstok. Hij schenkt die in 2008 aan Stichting
Nationaal Monument Kamp Amersfoort alwaar die te bezichtigen
is in een vitrine van een permanente tentoonstelling.
Na de bevrijding keert de familie Rijper weer terug naar
hun geplunderde woning aan Johannes Bosboomstraat in Amersfoort. Ze zijn
berooid. Voor de derde keer. Bij aankomst in Argentinië, bij terugkomst uit dat
land en nu weer. Gelukkig ontvangen ze hulp uit alle windstreken. Zelfs uit
Tres Arroyos arriveren maanden later twee kisten vol kleren.
Op woensdag 22 augustus 1945 worden de
dominee, zijn twee zoons en de huisgenoot op indrukwekkende wijze herbegraven
op ‘Rusthof’ te Amersfoort. Vier baren staan naast elkaar in de aula. Op die
van de jongens ligt de driekleur met een eenvoudige krans van lelies. De krant
schrijft:
“Een
laatste salvo afgevuurd door de erewacht van de Binnenlandse Strijdkrachten
boven de geopende groeven op het kerkhof, was het afscheid van makkers die
voorgegaan zijn in de voorbije strijd.”
Op 8 februari 1946 zet Koningin Wilhelmina haar
handtekening onder een betuiging
van deelneming in het verlies van Sjouke Rijper. In juni valt
een vergelijkbare koninklijke
brief op de deurmat van Bosboomstraat 15, maar dan met
deelneming in het verlies van Klaas en Frans.
Twee
maanden later, op 2 april 1946 wordt in Tres Arroyos een nieuw schoolgebouw
geopend. El Colegio Holandés eert Sjouke door de grote
aula ervan naar hem te vernoemen. Bij de opening wordt na een eervolle toespraak zijn fotoportret onthuld.
Anna krijgt een fotoverslag opgestuurd.
Joseph Kotälla staat in december 1946 terecht voor 77
moorden en foltering van gevangenen. Zijn broer Paul vraagt de rechtbank per
brief om vergiffenis. Zijn vader en twee broers waren al in de oorlog
omgekomen. Zijn moeder, Agnes Kotälla, doet hetzelfde. Joseph was immers geen
lid geweest van de NSDAP. Ze schrijft: “Wir
haben unsere Kinder als gute Christen erzogen und stets darauf geachtet, dass
sie immer im christlichen Glauben handelten.” Op 14 december 1948 krijgt
Joseph Kotälla de doodstraf. Koningin Juliana zet dat drie jaar later om in een
levenslange gevangenisstraf.
In 1972 is de toenmalige Minister van Justitie, Dries van
Agt, van plan Kotälla en de twee andere oorlogsmisdadigers in Breda (Fischer en
Aus der Fünten) vrij te laten. Van Agt: “Alle
verschrikkingen van oorlog en bezetting zijn geleden om de rechtstaat te
herwinnen op een systeem van extreme rechteloosheid. Die, ten koste van zoveel,
bevochten rechtstaat eist dat een straf waarmee verder geen redelijk doel te
bereiken valt, wordt beëindigd.” Zeer sterk en emotioneel verzet vanuit de
samenleving, van met name verenigingen van oorlogsslachtoffers, voorkomt dit.
Anna Rijper is voor vrijlating. Zij zegt:
“Laat ze maar vrij. Ze zullen door God worden berecht.” Kotälla overlijdt
in
Tijdens het proces van kampcommandant Karl Peter Berg zegt
verzetsstrijder en rechercheur Gerrit Kleinveld dat hij vermoedt dat dominee
Rijper en passant door Kotälla is
meegenomen. Berg, die volgens de krant “als een pafferige demon listig rond
loert in de rechtszaal”,
verklaart dat er een bevel was om de Pfarrer
te executeren. “Er was geen bevel”,
reageert de procureur-fiscaal. “Het doet
er ook weinig toe”, zegt een diep verontwaardigde strafrechtdeskundige op
de zitting. “Het was een schanddaad aan
de eeuwigheid.” Berg wordt na de oorlog ter dood veroordeeld. Op 22
november 1949 staat hij voor de verandering eens aan de andere kant van een
executiepeloton. Op het moment suprême
roept hij zelf “Feuer!”, waarop
direct wordt gereageerd. Zijn laatste commando is zijn eigen dood.
In september 1947 staat het
Vijf jaar na de
oorlog komt er een voorlopig monument op de plek van Kamp Amersfoort. Jo Rijper
onthult dat monument. De Amersfoortse Courant schrijft op 25 september 1950:
“Met
een enkele handbeweging verwijdert zij het dundoek van het kruis. Aan de
vlaggenmasten ernaast rijst de driekleur en over de hele heide klinkt
krachtiger en schoner dan ooit het Wilhelmus.”
Drie jaar later onthult minister-president Willem Drees het
blijvende monument: ‘De
Stenen Man’ van beeldhouwer Frits Sieger.
Vanuit het naoorlogse gereformeerd Amersfoort klinkt
kritiek op de verzetshandelingen van het domineesgezin. Het gespeculeer en geroddel
over de aanleiding tot de inval drukt zwaar op de familieleden. “Goede
domineeskinderen laten zich niet in met ‘rooie’ RVV-ers.” Verzetshandelingen in
de oorlog zijn voor veel gelovigen helemaal niet vanzelfsprekend. Het is eerder
een zonde. “Illegaal is illegaal”, redeneren ze. Een ouderling komt op de thee
bij Anna Rijper, voor wat geestelijke bijstand. Natuurlijk komen de wapenvondst
en de executie van Sjouke en de jongens ter sprake. “Tsja”, zegt de ouderling en citeert Jezus volgens Mattheüs 26:52: “Wie naar het zwaard grijpt, zal door het
zwaard omkomen.” Anna’s dochter Mien kan de man wel aanvliegen, maar
beheerst zich.
Een ingezonden brief in de krant steekt de familie een hart
onder de riem: “En al fluisteren duizend
stemmen over fouten die gemaakt zijn, al tracht ook nu de laster zijn
weerzinwekkende klauwen nog uit te strekken naar hen, die nu het licht niet
meer zien en het brood niet meer breken, voor ons blijven zij, de Rijpers en de
vele anderen, het lichtende voorbeeld in een van duisternis gevulde wereld.”
Ook komt er steun vanuit de Stichting 1940 – 1945. De
stichting zorgt voor extra inkomen zodat de jongsten kinderen een studie kunnen
volgen. Anna zet zich op haar beurt in voor de stichting.
Als Anna in 1976 negentig jaar wordt,
ontvangt ze veel felicitiaties, ondermeer uit Tres Arroyos waar zij en Sjouke nog steeds
worden geëerd. Later dat jaar, in de openbare gemeenteraadsvergadering van 28
september, besluiten
burgemeester en wethouders van Amersfoort de straten in de nieuwe wijk
Rustenburg te vernoemen naar lokale verzetshelden. Zo komt er ook de ‘Ds.
Rijperstraat’.
Sjouke Rijper is maar zestig jaar geworden. In die zestig
jaar heeft hij heel wat werk verzet. En dat, kampend met een gebrekkige
gezondheid. Hij laat een groot nageslacht na. Negen van zijn vijftien kinderen
brengen samen veertig kleinkinderen voort. Sommigen van die kleinkinderen zijn
inmiddels alweer grootouders.
Anna
Margaretha Catharina Rijper-Ros bereikt de gezegende leeftijd
van 94 jaar. Zij overlijdt
op 14 december
Een militaire oefening op de Leusderheide.
-.-
Met dank aan:
Stichting
Nationaal Monument Kamp Amersfoort (Gert Stein)
Nederlands
Instituut voor Oorlogsdocumentatie (drs. J.M.A. Dané)
Nationaal Archief
(Sierk Plantinga)
Amersfoort
'40-'45, deel I en II, J.L. Bloemhof